In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2026 stond de vraag centraal of de werkgever van de werknemer kon verlangen dat hij fysiek op het spreekuur van de bedrijfsarts in Nederland zou verschijnen.

Feiten en omstandigheden
Op 20 november 2024 is de werknemer voor de duur van één jaar in dienst getreden bij Concentrix. Op 21 december 2023 vertrok de werknemer naar Portugal vanwege een noodgeval rondom zijn stervende hond die door zijn moeder werd verzorgd. Concentrix kende hem twee dagen calamiteitenverlof toe. Op 24 december 2023 overleed de hond. De volgende dag meldde de werknemer zich ziek met fysieke en psychische klachten. Een Portugese arts verklaarde hem arbeidsongeschikt en adviseerde reizen tijdelijk te vermijden. Op 4 januari 2024 informeerde de werknemer Concentrix dat hij op advies van de dokter met een therapietraject voor de duur van één maand is gestart in Portugal. Op 23 januari 2024 vond een digitaal spreekuur met de bedrijfsarts plaats. De bedrijfsarts adviseerde een time-out van minimaal vier weken. Er was geen reisbeperking en de werknemer diende zijn behandeling in Nederland voort te zetten. De werknemer verzocht herhaaldelijk om een second opinion. Deze verzoeken werden door de arbodienst afgewezen. Na een digitaal consult met de bedrijfsarts op 27 februari 2024, herhaalde de bedrijfsarts het advies tot fysieke terugkeer naar Nederland en het ontbreken van een reisbeperking. Op 21 maart 2024 kondigde Concentrix een loonstop aan. Op 3 april 2024 raakte de werknemer betrokken bij een motorongeluk in Portugal, waarna hij opnieuw Portugese arbeidsongeschiktheidscertificaten overlegde. De volgende dag meldde hij bij Concentrix dat hij pijnklachten had en overlegde daarbij een doktersverklaring. De werknemer werd opgeroepen voor een fysiek consult bij de bedrijfsarts op 30 april 2024. Op 17 april 2024 verzocht de werknemer om een digitaal consult. Dit verzoek werd afgewezen. De werknemer verscheen niet op het fysieke consult op 30 april 2024. Op 17 september 2024 informeerde Concentrix de werknemer per e-mail dat zijn contract niet werd verlengd. Het UWV bracht op 14 oktober 2024 een deskundigenoordeel uit waarin de re-integratie-inspanningen van Concentrix als onvoldoende werden beoordeeld, omdat Concentrix geen toelichting had gegeven aan de arbeidsdeskundige. Een tweede deskundigenoordeel van 10 februari 2025 bevatte geen inhoudelijk oordeel wegens het ontbreken van een recente belastbaarheidsbeoordeling. Op 20 november 2024 eindigde de arbeidsovereenkomst van rechtswege.

De werknemer vordert onder meer betaling van achterstallig loon van € 34.114,57 bruto.

Oordeel kantonrechter
Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of Concentrix de loonbetaling heeft mogen staken vanaf 21 maart 2024 tot het einde van de arbeidsovereenkomst (20 november 2024). De vraag die moet worden beantwoord is of het verzoek van Concentrix om naar Nederland af te reizen en om fysiek aanwezig te zijn bij de afspraken met de bedrijfsarts is aan te merken als een redelijk voorschrift. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. In Nederland is de bedrijfsarts degene die moet vaststellen of een werknemer in staat is om (passende) werkzaamheden uit te voeren. De werkgever moet bij het vormgeven van de re-integratie afgaan op het advies van de bedrijfsarts. Volgens de bedrijfsarts was de fysieke aanwezigheid van de werknemer op het spreekuur noodzakelijk om de mate van arbeids(on)geschiktheid van de werknemer vast te stellen. Ook was het volgens de bedrijfsarts noodzakelijk dat de werknemer naar Nederland af zou reizen om behandelingsmogelijkheden in Nederland te onderzoeken en om fysiek contact te onderhouden met Concentrix. Het afreizen naar Nederland is daarmee nodig voor de re-integratie van de werknemer. Het voorschrift van Concentrix is daarom gepast en niet onredelijk. Van de werknemer mocht dan ook worden verwacht dat hij hieraan mee zou werken, tenzij objectieve medische gronden daaraan in de weg zouden staan. Ook op dit punt is de werkgever afhankelijk van het medisch oordeel van de bedrijfsarts en mag zij daarop vertrouwen. De bedrijfsarts heeft Concentrix geadviseerd dat er geen medische reisbeperking was. Aan de Portugese doktersverklaringen komt weinig gewicht toe omdat deze geen specifiek reisverbod bevatten en het gestandaardiseerde formulieren betreffen. De werknemer had bovendien zelf in februari 2024 aangegeven bereid te zijn fysiek te verschijnen. De loonstop vanaf 21 maart 2024 is dan ook terecht opgelegd. Dat de second opinion ten onrechte is geweigerd, leidt niet tot een ander oordeel, omdat een second opinion geen opschortende werking heeft en de werknemer de adviezen van de eerste bedrijfsarts op geen enkel moment heeft opgevolgd. Aan de deskundigenoordelen van het UWV komt bovendien geen doorslaggevende betekenis toe nu hoor en wederhoor niet heeft plaatsgevonden. De loonvordering van € 34.114,57 wordt afgewezen.

Auteur: Emma Eijkelenboom

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder