Dient de maatstaf voor beoordeling van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst te worden gewijzigd?

auteur: Maud de Bruijn


Advocaat-generaal (AG) Ruth de Bock bepleit in haar conclusie van 17 juli jl. dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst niet meer moet worden beantwoord aan de hand van de bedoeling van partijen, maar uitsluitend gelet op de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. Hiermee adviseert De Bock afstand te nemen van de bekende Haviltex-uitlegmethode. De volgende kwestie gaf aanleiding tot deze conclusie. Een vrouw ontving vanaf 1 december 2012 een IOAW-uitkering, een (bijstands)uitkering voor langdurig werklozen. Daarnaast verrichtte zij twee keer voor een periode van zes maanden – onbetaald – werkzaamheden bij de gemeente Amsterdam op basis van overeenkomsten met als opschrift ‘Plaatsingsovereenkomst Participatieplaatsen in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB)’. Volgens de vrouw is sprake van een arbeidsovereenkomst, omdat voldaan is aan de criteria loon, arbeid en gezag. Zij verrichtte immers hetzelfde werk als betaalde werknemers van de gemeente, zodat van ‘additionele werkzaamheden’* geen sprake is. De vrouw heeft daarmee recht op (na)betaling van loon. De kantonrechter en het hof hebben haar standpunt niet gevolgd. De vrouw heeft daarop cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

AG De Bock adviseert de Hoge Raad het arrest van het hof te vernietigen. Zij gaat in haar conclusie onder meer in op de vraag in hoeverre de partijbedoeling van betekenis is om van een arbeidsovereenkomst te kunnen spreken en hoe invulling moet worden gegeven aan het criterium ‘gezag’. Hiermee geeft AG De Bock een verduidelijking van het arrest Groen/Schoevers en komt zij tegemoet aan de wens vanuit de praktijk om meer duidelijkheid en sturing van de Hoge Raad op dit punt.

In het arrest Groen/Schoevers is – kort samengevat – bepaald dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. Sindsdien is dat de geldende maatstaf om te bepalen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Volgens AG De Bock zou deze maatstaf moeten worden herijkt en zou bij beantwoording van deze vraag uitsluitend van belang moeten zijn hoe partijen feitelijk uitvoering aan de betreffende overeenkomst hebben gegeven. Met name het criterium ‘gezag’ acht AG De Bock daarbij van belang. Er kan ook sprake zijn van gezag als dit zich op andere manieren dan het geven van instructies openbaart. Wordt het werk bijvoorbeeld georganiseerd door de werkgever en zijn de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering? Daarbij vindt AG De Bock het van belang dat niet alleen wordt gekeken naar de zaken die op papier zijn geregeld, maar ook wat de economische en feitelijke realiteit is. Meestal is het zo dat als er werkzaamheden door anderen dan de werknemers worden verricht er sprake is van een mate van ondernemerschap (denk aan een ingehuurde zzp’er). Is geen ondernemer ingehuurd, dan is er in beginsel sprake van een gezagsverhouding en dus van een arbeidsovereenkomst.

Bovendien stelt AG De Bock dat ook een plaatsingsovereenkomst voor een participatieplaats kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst als geen sprake is van ‘additionele werkzaamheden’. Er is door zowel de kantonrechter, als het gerechtshof niet onderzocht of de vrouw hetzelfde werk verrichtte als de uitzendkrachten. Mocht blijken dat de werkzaamheden van de vrouw en de uitzendkrachten hetzelfde zijn, dan is mogelijk toch sprake van een arbeidsovereenkomst. Om die reden vindt AG De Bock dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven.

Of de Hoge Raad het advies van AG De Bock zal volgen moet worden afgewacht (de datum waarop de HR uitspraak doet is nog niet bekend). Lees hier de uitgebreide conclusie van AG de Bock.
De conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat advies al dan niet te volgen. De advocaat-generaal maakt deel uit van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.

* Additioneel werk is werk dat niet tot de normale werkzaamheden van de werknemers behoort en anders dus zou blijven liggen.

Auteur: Maud de Bruijn

Next Post Previous Post