Een politieambtenaar is in 2019 ten onrechte geen verklaring van geen bezwaar toegekend

auteur: Maud de Bruijn

De Raad van State heeft op 17 juli 2024 (link) beslist dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) een politieambtenaar in 2019 geen verklaring van geen bezwaar (vgb) had mogen weigeren en ten onrechte de eerder verkregen verklaring van geen bezwaar heeft ingetrokken. In deze zaak heeft ons kantoor de politieambtenaar bijgestaan.

Wat was er aan de hand? De politieambtenaar werkt sinds 1991 in verschillende functies bij de politie en wenste in 2019 de functie Operationeel Specialist C bij de Nationale Politie uit te oefenen. Dit was toentertijd een vertrouwensfunctie waarbij iemand toegang krijgt tot informatie over onder andere zware criminaliteit. Voor die functie was dan ook een verklaring van geen bezwaar nodig. In januari 2019 is hij aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek. De minister geeft een vgb af als uit het veiligheidsonderzoek van de AIVD geen bezwaren naar voren komen. De minister heeft geweigerd om een vgb te verstrekken en heeft een eerder door hem verleende vgb ingetrokken, omdat de politieambtenaar de politiesystemen sinds 2014 ten minste veertig keer voor persoonlijke doeleinden zou hebben geraadpleegd.

De politieambtenaar heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de afwijzing en uiteindelijk hoger beroep bij de Raad van State. Met succes.

De minister heeft weliswaar beoordelingsruimte bij de beoordeling of er voldoende waarborgen aanwezig zijn dat de aanvrager van een vgb onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen, maar dient daarbij wel aan de criteria waarop overeenkomstig artikel 5 van de Beleidsregel en de Leidraad bij de beoordeling wordt gelet, te voldoen. En dat heeft de minister nagelaten. Allereerst heeft de minister ter onderbouwing van de afwijzing in eerste instantie naar ten minste veertig ongeoorloofde naslagen verwezen en later naar zeven ongeoorloofde naslagen. Van deze zeven zijn vier naslagen in privétijd verricht, maar met een zakelijk doeleinde: een politieambtenaar ben je 24/7 en dus ook in privétijd wordt verwacht dat je acteert wanneer dat nodig is. Er blijven dan drie naslagen in privétijd over waarvan de politieambtenaar heeft verklaard dat deze vanuit gemakzucht zijn gedaan en met de kennis van nu zeker niet nog eens zouden worden gedaan. Daar komt bij dat in de organisatie onvoldoende uitleg is gegeven met betrekking tot het raadplegen van de systemen en het uitgangspunt altijd was ‘informatie niet delen’. Dat heeft de politieambtenaar ook nooit gedaan. Met andere woorden: de minister had de context waarbinnen de naslagen zijn gedaan moeten meewegen. Dit is aangelaten en dus kon niet zomaar de conclusie worden getrokken dat er onvoldoende waarborgen zijn dat de politieambtenaar onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Zeker nu de politieambtenaar al 28 jaar van onbesproken gedrag was en integriteit voor hem uiterst belangrijk is.

Een meer dan terechte uitspraak die maar weer eens laat zien dat de context, de omstandigheden van het geval, in het recht een grote rol spelen.

Heeft u naar aanleiding van deze uitspraak vragen? Neem gerust contact met mij op.

Auteur: Maud de Bruijn

Next Post Previous Post