Een werkneemster wordt op staande voet ontslagen, maar heeft toch recht op een vertrekregeling

Justine Plat

Wat speelde hier?

De werkneemster is op 21 september 2009 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger) van de werkgever. Op 7 mei 2025 werd aan werkneemster medegedeeld dat zij boventallig werd verklaard. Zij is daarna op non-actief is gesteld en heeft een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van haar dienstverband ontvangen. Op 30 mei 2025 hebben werkneemster en werkgever de vaststellingsovereenkomst getekend. Zij kwamen overeen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt per 1 oktober 2025. Daarnaast ontving zij diverse vergoedingen, waaronder een beëindigingsvergoeding en een tekenbonus.

Na 30 mei 2025 heeft de werkneemster ruim 4000 hoofdzakelijk zakelijke bestanden geüpload naar haar OneDrive. Daarnaast blijkt dat de werkneemster veel e-mailberichten naar haar privé e-mail heeft verstuurd. Hier zou ook klanteninformatie en andere vertrouwelijke informatie bij zitten. Hiervan is een melding gedaan aan de werkgever en op 22 juli 2025 heeft de werkgever hierover gesproken met werkneemster. De werkgever heeft de werkneemster diezelfde dag op staande voet ontslagen. Op 11 augustus 2025 heeft de werkneemster geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. De werkgever heeft laten weten het ontslag op staande voet te handhaven en heeft op 6 november 2025 een e-mail gestuurd waarin hij aangeeft dat sprake is van dwaling bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Daardoor is hij niet gehouden tot betaling van de vergoedingen uit de vaststellingsovereenkomst.  

De werkneemster verzoekt de rechter het ontslag op staande voet te vernietigen en het salaris vanaf 22 juli 2025 tot aan 1 oktober 2025 te betalen. Ongeacht of de rechter het ontslag op staande voet vernietigt, vordert zij ook nakoming van de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen vergoedingen.

Wat zegt de kantonrechter?

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Dat betekent dat haar verzoek om betaling van het salaris vanaf 22 juli 2025 tot en met 1 oktober 2025 wordt afgewezen.

Met betrekking tot de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst overweegt de kantonrechter als volgt. De werkgever heeft de vaststellingsovereenkomst gedeeltelijk vernietigd op grond van dwaling en legt daaraan de overdracht van de zakelijke bestanden naar de persoonlijke OneDrive van werkneemster ten grondslag. Van dwaling (artikel 6:228 BW) is sprake als een overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken is gesloten, door inlichtingen van de wederpartij, schending van de mededelingsplicht of wederzijdse dwaling. In lid 2 van artikel 6:228 BW staat dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft.

Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het beroep van de werkgever op dwaling niet slaagt. De omstandigheid die de werkgever ten grondslag legt aan de dwaling (het uploaden van de bestanden naar haar persoonlijke OneDrive) heeft zich namelijk na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst voorgedaan. Er is dus geen sprake van een verkeerde voorstelling van zaken ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, omdat die gebeurtenis toen nog niet had plaatsgevonden. Daardoor gaat een beroep op dwaling niet op en wordt de vordering van de werkneemster tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst, met uitzondering van de doorbetaling van het loon en betaling van de transitievergoeding, toegewezen.

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder