Samengestelde dringende reden voor ontslag op staande voet

Esmeralda de Jongh

Werkneemster is sinds 1 oktober 2022 bij werkgeefster in dienst als pedagogisch medewerkster. Per 6 mei 2024 is zij deels arbeidsongeschikt wegens zwangerschap en vanaf 3 juni 2024 is zij volledig arbeidsongeschikt.

Werkgeefster heeft eerder diverse misstanden in de werkgroep van werkneemster geconstateerd, waaronder het schreeuwen tegen kinderen, mishandeling (bijv. vastbinden met tape en het slepen van kinderen aan de arm door de groep) en het pesten van collega’s. Verder zou werkneemster op 10 juli 2024 zonder toestemming van werkgeefster op een concurrerend kinderdagverblijf hebben gewerkt terwijl zij ziek was. Werkgeefster heeft per e-mail van 11 juli 2024 aan werkneemster laten weten dat zij over voornoemde gedragingen met haar in gesprek wilde. Dit gesprek stond gepland op 16 juli 2024. Na dit gesprek is werkneemster op 17 juli 2024 per e-mail op staande voet ontslagen wegens illegale werkzaamheden tijdens ziekte en discutabel en onaanvaardbaar gedrag en werkhouding. Hierbij heeft de werkneemster toegegeven dat zij naar kinderen schreeuwde, hen uitsluitend aansprak met hun achternamen, tegen de inventaris schopte en kinderen heeft vastgebonden aan een stoel met tape. Ook heeft een getuige gezien dat in de aanwezigheid van werkneemster kinderen op haar groep een dichtgeplakte mond met tape hadden.

Werkneemster is het niet eens met het ontslag op staande voet en verzoekt vernietiging van het ontslag dan wel toekenning van vergoedingen, waaronder een billijke vergoeding. Werkgeefster heeft een tegenverzoek tot voorwaardelijke ontbinding ingediend.

De kantonrechter oordeelt als volgt:

Werkgeefster heeft verschillende redenen aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Kort gezegd wordt werkneemster verweten dat:

1) Zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid heeft gewerkt voor een concurrerend kinderdagverblijf; en
2) Het gedrag en de werkhouding van werkneemster discutabel en onaanvaardbaar is gebleken.

Uit de e-mail van 17 juli 2024 volgt dat deze redenen tezamen hebben geleid tot het ontslag op staande voet. Er is dus sprake van een samengestelde dringende reden. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden, moeten dus alle aan werkneemster verweten gedragingen worden betrokken. Dit betekent daarentegen ook dat als een gedeelte van de feiten die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd niet vast komen te staan, het ontslag op staande voet mogelijk geen stand houdt.

De kantonrechter is in deze uitspraak van oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen:

1) Als eerste wordt aan werkneemster verweten dat zij op 10 juli 2024 zou hebben gewerkt bij een concurrerend kinderdagverblijf, terwijl zij op dat moment volledig arbeidsongeschikt was. Werkneemster erkent dat zij op 10 juli 2024 aanwezig was bij een concurrerend kinderdagverblijf om sfeer te proeven, maar betwist dat zij werkzaamheden heeft verricht. Zij ondersteunt dit met een verklaring van de directeur-eigenaar van het kinderdagverblijf. Werkgeefster heeft onvoldoende bewezen dat werkneemster daar werkzaamheden heeft verricht. Haar aanwezigheid alleen levert geen dringende reden op.

Nu deze aan werkneemster verweten gedraging al niet is komen vast te staan, kan het ontslag op staande voet alleen hierom al geen stand houden. De kantonrechter zal desondanks ook de andere aan werkneemster verweten gedraging beoordelen.

2) Ook wordt aan werkneemster verweten dat haar gedrag en werkhouding discutabel en onaanvaardbaar zijn gebleken. De gedragingen die de werkgeefster aanvoert zijn al besproken in februari 2024 en hebben toen tot geen arbeidsrechtelijke consequenties geleid. Deze gedragingen kunnen daarom niet opnieuw als dringende reden voor ontslag dienen. Een nieuw verwijt betreft het dichtplakken van de mond van een kind met schilderstape in de aanwezigheid van werkneemster. Dit wordt door werkneemster betwist. Omdat werkgeefster onvoldoende bewijs levert dat werkneemster aanwezig was of hiervan op de hoogte was, staat deze gedraging niet vast.

De door werkgeefster opgegeven redenen vormen geen dringende reden voor een ontslag op staande voet. Dit betekent dat het ontslag niet rechtsgeldig is, zodat het verzoek van werkneemster om vernietiging van dat ontslag zal worden toegewezen.

Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van werkgeefster is gestoeld op primair (ernstig) verwijtbaar handelen van werkneemster, en subsidiair op een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Omdat de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen onvoldoende vast zijn komen te staan kan de arbeidsovereenkomst ook niet worden ontbonden op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen van werkneemster. Wel zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding omdat op basis van de processtukken alsmede het ter zitting verhandelde duidelijk is geworden dat de verstoring ernstig en duurzaam onherstelbaar is. Herplaatsing ligt gezien de ernstige verstoring niet in de rede.

Omdat het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster, heeft zij recht op de wettelijke transitievergoeding. Omdat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door werkneemster zonder dringende reden op staande voet te ontslaan heeft werkneemster ook recht op een billijke vergoeding. De kantonrechter acht het aannemelijk dat het dienstverband, als het ontslag op staande voet niet had plaatsgevonden, uiterlijk tot 1 april 2025 zou hebben voortgeduurd. Gezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 en doorbetaling tot die datum, wordt de billijke vergoeding bepaald op drie maandsalarissen, afgerond € 10.000 bruto.

Beschouwing
In deze uitspraak heeft de werkgever het ontslag gebaseerd op een ‘samengestelde dringende reden’, waarbij meerdere redenen gezamenlijk als dringende reden worden gepresenteerd. Dit kan de geldigheid van het ontslag op staande voet compliceren, omdat alle redenen samen bewezen moeten worden en als dringend moeten worden aangemerkt. Als blijkt dat één van de redenen niet bewezen kan worden, bijvoorbeeld omdat de werknemer het ontkent en de werkgever dit niet kan aantonen, kan het ontslag op staande voet onderuit gaan. Wanneer echter elk afzonderlijke reden zelfstandig aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt, heeft het bovenstaande geen invloed op de rechtsgeldigheid van het ontslag.

U leest de uitspraak hier.

Auteur: Esmeralda de Jongh

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder