Rechtsverhouding kwalificeert als overeenkomst van opdracht, ondanks specifieke instructies van de opdrachtgever en inbedding van de werkzaamheden

Van den Brekel Advocaten

De feiten
Werkende was van 1 juni 2024 tot 5 oktober 2024 als bedrijfsleider werkzaam voor Outdoor Alpine in haar restaurant De Pannenkoekhut. Op 5 oktober 2024 heeft Outdoor Alpine werkende beticht van diefstal en hem ontslagen, wat zij per e-mail op 8 oktober 2024 heeft bevestigd. Werkende vordert primair betaling van een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een billijke vergoeding en loon, met wettelijke verhoging en rente, alsmede afgifte van deugdelijke loonstroken op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert werkende loon over de opzegtermijn van drie maanden en € 961,96 voor een openstaande factuur van 7 oktober 2024, met wettelijke rente. In beide gevallen vordert hij vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Outdoor Alpine betwist de vorderingen en vordert in reconventie een bedrag van € 2.613,53. Indien sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst die op 5 oktober 2024 niet rechtsgeldig is geëindigd, verzoekt zij ontbinding daarvan, een verklaring dat werkende geen recht heeft op de transitievergoeding, en terugbetaling van facturen ad € 24.791,11. Ook vordert zij werkende te veroordelen in de proceskosten.

Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat de rechtsverhouding tussen werkende en Outdoor Alpine niet als een arbeidsovereenkomst kwalificeert, maar als een overeenkomst van opdracht. Daarbij wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443), waarin is bepaald dat de kwalificatie afhangt van de overeengekomen rechten en verplichtingen en niet van de bedoelingen van partijen.

De kantonrechter overweegt dat verschillende factoren wijzen op een overeenkomst van opdracht. Zo heeft werkende zelf verzocht om de samenwerking in deze vorm te gieten en is een door hem aangeleverde modelovereenkomst gehanteerd. Ook factureerde hij wekelijks zijn gewerkte uren, waarbij Outdoor Alpine geen loonbelasting inhield of loonstroken verstrekte. Daarnaast had werkende een beroeps- en/of aansprakelijkheidsverzekering afgesloten en trad hij in het economisch verkeer soms als ondernemer en soms als werknemer op. Hoewel bepaalde aspecten, zoals de mate van instructie en de inbedding in de organisatie, op een arbeidsovereenkomst wijzen, wegen deze omstandigheden minder zwaar dan de aanwijzingen voor een overeenkomst van opdracht. De omstandigheid dat werker werkzaamheden voor 38 uur per week verrichtte die grotendeels overeenkwamen met reguliere werkzaamheden, doet hier niet aan af. Outdoor Alpine en werkende hebben zich gedurende de samenwerking meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen dan als werkgever en werknemer. De kantonrechter wijst daarom de primaire vorderingen van werkende af en komt niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van Outdoor Alpine.

Om te kunnen beslissen op wat verder is gevorderd, moet worden beoordeeld of de werkende zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Outdoor Alpine heeft werkende er namelijk van beschuldigd geld uit de kassa te hebben gestolen en heeft dit als reden aangevoerd voor de onmiddellijke beëindiging van de samenwerking. De kantonrechter heeft vastgesteld dat werkende op 4 oktober 2024 een bedrag van € 242,50 voor zichzelf heeft gehouden en niet heeft afgedragen aan Outdoor Alpine. Hierdoor was het naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar dat Outdoor Alpine de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden in acht zou moeten nemen. De vordering van werkende voor een vergoeding wegens schending van de opzegtermijn is daarom afgewezen. Wel heeft de kantonrechter geoordeeld dat werkende recht heeft op betaling van zijn laatste factuur van € 961,95 voor gewerkte uren, waarvan € 242,50 wordt verrekend met het vastgestelde bedrag dat hij heeft achtergehouden. Per saldo is werkende daarom een bedrag van € 719,45 toegewezen. De door Outdoor Alpine gevorderde bedragen wegens vermeende manipulatie van de kassa en ongeautoriseerde bestellingen zijn afgewezen, omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat werkende hiervoor verantwoordelijk was. De proceskosten zijn voor rekening van werkende, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt.

U leest de volledige uitspraak hier.

Auteur: Lotte Sophie de Wijs

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder