Loonstop wegens niet verschijnen bij de bedrijfsarts was onterecht; werkgeefster moet achterstallig loon alsnog betalen

Esmeralda de Jongh

Feiten en omstandigheden
Werkneemster is sinds 1 februari 2016 in dienst bij werkgeefster als administratief medewerkster. Op 20 december 2023 heeft werkneemster gesproken met de heer X en heeft zij verteld dat ze wilde stoppen met werken. Werkneemster heeft zich op 21 december 2023 ziek gemeld. Tussen partijen is begin 2024 nog schriftelijk contact geweest om met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar wegens de arbeidsongeschiktheid van werkneemster is besloten dit niet door te zetten.

De bedrijfsarts heeft na telefonisch contact met werkneemster geoordeeld dat zij ziek is en dat naast haar ziekte ook sprake is van werk gerelateerde problemen. In maart 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan. Werkgeefster heeft werkneemster uitgenodigd voor gesprekken, die echter steeds op afstand, via beeldbellen hebben plaatsgevonden. Tot fysieke gesprekken is het niet gekomen. In oktober 2024 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat de beperkingen nog steeds actueel zijn, dat werkneemster haar eigen/passende werkzaamheden niet op korte termijn zal kunnen hervatten en dat de vervolgafspraak fysiek zal zijn om een FML op te stellen.

Naar aanleiding van de oproep om op 14 november 2024 fysiek bij de bedrijfsarts te verschijnen heeft werkneemster te kennen gegeven dat zij daartoe mentaal en fysiek niet in staat is. Haar verzoek om die afspraak ook op afstand via beeldbellen te houden, is door werkgeefster afgewezen. Omdat werkneemster niet op de afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen, heeft werkgeefster met ingang van 15 november 2024 de betaling van het loon stopgezet (loonstop). Voorts heeft werkgeefster, met ingang van 18 december 2024, ook de weigering om mee te werken aan mediation aan de loonstop ten grondslag gelegd. Voor het geval het niet verschijnen bij de bedrijfsarts geen loonstop rechtvaardigt, heeft werkgeefster te kennen gegeven het loon op te schorten. Met ingang van 20 februari 2025 heeft werkgeefster de loonbetaling hervat.

Werkneemster stelt dat de loonstop per 15 november 2024 ten onrechte is doorgevoerd en vordert betaling van achterstallig salaris.

Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster had vanaf 15 november 2024 geen loonstop mogen toepassen, maar in dit geval was een loonopschorting wel mogelijk. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster van werkneemster mocht verlangen dat zij de bedrijfsarts fysiek zou bezoeken. Werkgeefster heeft, nadat werkneemster had laten weten niet in staat te zijn de bedrijfsarts fysiek te bezoeken, bij de bedrijfsarts navraag gedaan of een fysieke afspraak noodzakelijk was en of werkneemster daartoe in staat werd geacht. De bedrijfsarts heeft bevestigd dat dit nodig was en dat werkneemster daartoe ook in staat was. Omdat werkneemster destijds geen (medische) stukken heeft overgelegd waaruit bleek dat zij niet in staat was om de bedrijfsarts fysiek te bezoeken, heeft werkgeefster de betaling van het loon met ingang van 15 november 2024 op goede gronden opgeschort.

Tussen partijen is voorts in geschil of werkgeefster gerechtigd was om een loonstop toe te passen vanaf 18 december 2024 wegens het niet meewerken aan mediation. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster op deze grond geen loonstop mocht toepassen. Uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts volgt dat naast de ziekte sprake is van een werk gerelateerd probleem. De bedrijfsarts adviseert daarom contact met elkaar op te nemen en in gesprek te gaan om tot een wederzijdse oplossing te komen. Voor zover dat niet mocht lukken, is het advies om via mediation te kijken wat de opties zijn. De mediation is aldus aanbevolen om tot een oplossing te komen voor het werk gerelateerde probleem en stond los van de geconstateerde arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Niet is gebleken dat dit advies is veranderd en dat, na het beëindigen van de mediation door de mediator op 27 november 2024, de mediation bedoeld was om werkneemster in staat te stellen passende arbeid te verrichten. Dat zou ook tegenstrijdig zijn gelet op het bericht van de bedrijfsarts in de bijgestelde probleemanalyse, waarin is opgenomen dat op korte termijn hervatting van de eigen of passende werkzaamheden niet wordt verwacht.

De kantonrechter oordeelt derhalve dat werkgeefster ten onrechte een loonstop heeft toegepast en vanaf 15 november 2024 alleen het loon had mogen opschorten. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat het loon over de periode van 15 november 2024 tot en met 19 februari 2025 alsnog moet worden betaald. Door de rapportage van de bedrijfsarts van 18 maart 2025 staat vast dat werkneemster nog steeds arbeidsongeschikt is en herstel binnen drie maanden niet te verwachten valt, zodat ook mediation geen zin meer heeft. Dat betekent dus dat werkgeefster gehouden is alsnog het loon te betalen over de periode van 15 november 2024 tot en met 19 februari 2025. Werkgeefster wordt daarom veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon over de genoemde periode, de buitengerechtelijke kosten en het verstrekken van loonstroken. De wettelijke verhoging en rente worden afgewezen, evenals de gevorderde dwangsom. Werkgeefster moet daarnaast ook de proceskosten betalen.

U leest de uitspraak hier.

Auteur: Esmeralda de Jongh

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder