Kunnen partijen stilzwijgend een concurrentiebeding overeenkomen?

Emma Eijkelenboom

In de uitspraak van de rechtbank Overijssel stond onder andere de vraag centraal of een concurrentiebeding stilzwijgend overeen kan zijn gekomen.

Feiten en omstandigheden
FT is een praktijk voor fysiotherapeuten. Werknemer is sinds 1 januari 2016 voor onbepaalde tijd in dienst bij FT. In de oude arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding, relatiebeding en concurrentiebeding opgenomen. Per 1 januari 2020 heeft FT werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden. Deze nieuwe overeenkomst is door beide partijen niet ondertekend. In deze arbeidsovereenkomst is ook een geheimhoudingsbeding, relatiebeding en concurrentiebeding opgenomen. Werknemer heeft bij FT gewerkt als geriatriefysiotherapeut voor de vestiging X. Ook heeft werknemer managementtaken verricht. Verder heeft werknemer zich beziggehouden met het opzetten van een nieuwe dienstverlening gericht op valpreventie bij ouderen. Werknemer ontving van FT maandelijks een variabel loon afhankelijk van de door haar verrichte behandelingen en de daarmee samenhangende omzet. De berekeningswijze daarvan is opgenomen in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst van 2020. Voor de managementtaken ontving werknemer een vast loon. Op enig moment raakte werknemer in gesprek met Y van Fysiotherapie De Rietlanden (hierna: FDR), gevestigd te Emmen. Bij brief van 31 maart 2025 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst bij FT opgezegd tegen 1 mei 2025 om bij FDR in dienst te treden. FT heeft hem meegedeeld hem aan het concurrentiebeding te zullen houden.

Werknemer vordert in kort geding om schorsing van het concurrentiebeding zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. FT vordert nakoming van het overeengekomen concurrentiebeding.

Oordeel
Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of het concurrentiebeding uit de oude dan wel de nieuwe arbeidsovereenkomst hen bindt. Tussen partijen is niet in geschil dat in ieder geval één van de arbeidsovereenkomsten van toepassing is. FT beroept zich op het concurrentiebeding uit de oude arbeidsovereenkomst. FT stelt dat de nieuwe arbeidsovereenkomst, inclusief het daarin opgenomen concurrentiebeding, niet van toepassing is omdat deze door partijen niet is getekend. Volgens werknemer is de nieuwe arbeidsovereenkomst tussen hen van toepassing.

De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat moet worden gekeken naar de nieuwe arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft onweersproken aangevoerd dat FT een nieuwe arbeidsovereenkomst aan hem heeft aangeboden in verband met het wijzigen van de rechtsvorm van FT van een maatschap naar een besloten vennootschap. Ook onweersproken is gebleven de stelling van werknemer dat – in afwijking van de berekeningswijze genoemd in de oude arbeidsovereenkomst – uitvoering is gegeven aan de berekeningswijze voor haar beloning zoals in artikel 2 van de nieuwe arbeidsovereenkomst is bepaald. Voldoende aannemelijk is dat daarmee wilsovereenstemming is bereikt over de inhoud van de arbeidsovereenkomst bereikt, doordat werknemer het aanbod van FT stilzwijgend heeft aanvaard. Dat maakt dat de inhoud van de nieuwe arbeidsovereenkomst, inclusief het daarin opgenomen concurrentiebeding, partijen bindt. De kantonrechter neemt de rechtsgeldigheid van dit concurrentiebeding dan ook tot uitgangspunt.

Daarnaast is de kantonrechter voorshands van oordeel dat FT onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer beschikt over dusdanige concurrentiegevoelige informatie dat een overstap naar FT leidt tot een aantasting van haar bedrijfsdebiet. De enkele omstandigheid dat werknemer managementtaken heeft verricht bij FT, brengt nog niet mee dat zij kennis heeft van bedrijfsgevoelige informatie. Volgens FT gaat het met name om de kennis die werknemer heeft opgedaan over de opbouw van de prijzen bij FT en dan in het bijzonder over de drie geldstromen binnen FT, te weten de inkomsten die zij ontvangt via de zorgverzekeraars, de gemeente en de particulieren. Hiervan behelst alleen de prijzen voor de particulieren informatie die nuttig kan zijn voor een concurrent. Nu werknemer echter onweersproken heeft verklaard dat FDR zich hierop niet richt, heeft FT onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer deze informatie bij FDR, ten koste van FT kan gebruiken. Voor de vaste prijzen die de zorgverzekeraars en de gemeente hanteren geldt dat hiervan minder valt in te zien dat dit tot commercieel voordeel van FDR zal strekken of een andere potentiële werkgever. Niet gebleken is dat dit specifieke, te beschermen, kennis is die afkomstig is van FR. FT heeft onvoldoende toegelicht over welke essentiële informatie of van welke unieke werkprocessen en strategieën werknemer kennis heeft waardoor FDR in de concurrentieslag met FT in het voordeel is.

De kantonrechter acht alles overziend voorshands voldoende aannemelijk dat de afweging van de wederzijdse belangen van partijen in een bodemprocedure in het voordeel van werknemer zal uitvallen en dat de bodemrechter het concurrentiebeding dus zal vernietigen omdat werknemer door dit beding onbillijk wordt benadeeld.

Beschouwing
De kantonrechter is in deze uitspraak van oordeel dat partijen stilzwijgend het concurrentiebeding zijn overeengekomen, omdat er feitelijk uitvoering is gegeven aan de overeenkomst waarin deze staat opgenomen ondanks het feit dat deze overeenkomst niet is ondertekend. Ik vraag mij af of deze uitspraak in lijn is met het doel van het schriftelijkheidsvereiste dat geldt bij een concurrentiebeding. Het schriftelijkheidsvereiste is immers in het leven geroepen om de werknemer er bewust van te maken dat hij ermee instemt dat het aangaan van de arbeidsovereenkomst hem beperkt in zijn vrije arbeidskeuze. De rechtspraak op dit punt loopt uiteen. In 2019 oordeelde de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2019:83) namelijk dat er sprake dient te zijn van een door de werknemer ondertekend document waarin het concurrentiebeding is opgenomen dan wel waarin naar een bijgevoegde bijlage wordt verwezen waarin het concurrentiebeding is opgenomen, dan wel waarin de werknemer uitdrukkelijk verklaart dat hij instemt met het concurrentiebeding. In die uitspraak was de enkele reply van de werknemer op de aangeboden arbeidsovereenkomst met ‘ik ben in principe akkoord’ niet voldoende.

Auteur: Emma Eijkelenboom

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder