In de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 december 2025 heeft de kantonrechter de werkgever veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding wegens het niet voortzetten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In deze signalering leest u waarom.
Wat was er aan de hand?
De procedure is aanhangig gemaakt door twee medewerkers van de werkgever, een horecaonderneming. Werknemer 1 is sinds 9 december 2024 voor de duur van 7 maanden in dienst getreden bij de werkgever in de functie van kok. Werknemer twee is op 26 september 2024 voor de duur van 7 maanden in dienst getreden, eveneens in de functie van kok. De arbeidsovereenkomst van werknemer 2 is op 26 april 2025 verlengd voor de duur van 7 maanden.
Beide werknemers zijn door de werkgever aangenomen met het doel om een nieuw concept neer te zetten in de keuken van de werkgever. De introductie van dit nieuwe concept is een aantal keer uitgesteld.
Op 24 juni 2025 zijn beide werknemers uit de keuken geroepen voor een gesprek met de heer X (eigenaar van de horecaonderneming) en de heer Y (de leidinggevende). In dit gesprek zijn beide werknemers geconfronteerd met prints van foto’s zijn gemaakt van privé WhatsAppberichten tussen werknemers 1 en 2. In de berichten hebben werknemers 1 en 2 zich negatief uitgelaten over het personeel van de werkgever. Na afloop van het gesprek heeft de heer X voorgesteld om de situatie de volgende ochtend met hem, de drie leidinggevenden en werknemers verder te bespreken. Op 25 juni 2025 hebben beide werknemers zich ziekgemeld. Diezelfde dag om 12.53 uur zijn werknemers uit diverse WhatsAppgroepen van werkgever verwijderd met de mededeling dat zij per direct het bedrijf hebben verlaten. De gemachtigden van werknemers 1 en 2 hebben diezelfde dag om 15.15 uur een e-mail gestuurd aan de werkgever waarin onder andere bezwaar is gemaakt tegen de gang van zaken en is gesteld dat sprake is van een ernstige inbreuk op de privacy van werknemers 1 en 2, waarvan aangifte is gedaan. De werkgever heeft diezelfde dag om 17.48 uur beide werknemers per e-mail bericht dat hun arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en zal eindigen per 9 juli 2025 (werknemer 1) en 26 november 2025 (werknemer 2). Als reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomsten is aangegeven dat er geen vertrouwen van de werknemers is in de leiding, dat zij collega’s zwart hebben gemaakt en er geen respect naar collega’s is getoond. De conclusie is dat het benodigde vertrouwen er niet meer is. In dit kader wordt verwezen naar onder andere de WhatsAppgesprekken.
De werknemers zijn vervolgens naar de rechter gestapt met het verzoek aan hen ieder een billijke vergoeding van €30.000,- bruto toe te kennen, omdat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst door privé WhatsAppberichten tussen de werknemers te lezen, fotograferen en verspreiden met als doel om een vertrouwensbreuk te creëren.
Wat oordeelt de rechter?
De rechter is van oordeel dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter stelt voorop dat de inhoud van een WhatsAppgesprek in beginsel dient te worden beschouwd als privé en valt onder de bescherming van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een werkgever mag niet zomaar kennis nemen van de inhoud van een WhatsAppgesprek van een werknemer. Voor een inmenging in dit privéleven moet er een dwingende maatschappelijke behoefte bestaan. Beide werknemers mochten er dan ook op vertrouwen dat berichten die in deze privé-context zijn verzonden niet door hun werkgever zouden worden gelezen, ook al waren deze berichten via WhatsApp Web op de zakelijke laptop in te zien. Vaststaat dat de werkgever kennis heeft genomen van privé informatie waarvan beide werknemers niet hebben gewild dat hun werkgever deze zou zien. Volgens de werkgever heeft werknemer 2 hier zelf aan bijgedragen door het gesprek met werknemer 1 open te laten op de zakelijke laptop. Beide werknemers betwisten dat het gesprek openstond toen de werkgever de laptop openklapte en stellen dat de werkgever zich op heimelijke wijze toegang heeft verschaft tot hun privégesprek. Het is voor de kantonrechter feitelijk onduidelijk gebleven of de werkgever bewuste handelingen heeft verricht om toegang te verkrijgen tot het WhatsApp-gesprek tussen de werknemers. Wel staat zonder meer vast dat zij, nadat zij toegang had, gedurende geruime tijd door de berichten heeft gescrold en actief het gesprek heeft doorzocht. Vervolgens heeft zij zonder toestemming of overleg met werknemers 1 en 2 foto’s gemaakt van onderdelen van het gesprek en deze beelden gedeeld met de werkgever.
Hoewel beide werknemers zich in deze conversatie op onbehoorlijke wijze hebben uitgelaten over collega’s, betreft het uitlatingen gedaan in een privé context, waarin zij er niet bedacht op hoefden te zijn dat hun werkgever daar kennis van zou nemen. Door vervolgens gebruik te maken van deze op onrechtmatige wijze verkregen privé berichten en daarop haar handelen te baseren, heeft de werkgever een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op het door artikel 8 EVRM beschermde recht van beide werknemers. Deze inbreuk dient, gelet op zowel de wijze van verkrijging als het daaropvolgende gebruik van de berichten, als ernstig verwijtbaar te worden gekwalificeerd.
Duidelijk is dat de inhoud van de WhatsApp-berichten en de daaruit door de werkgever getrokken conclusies rechtstreeks hebben doorgewerkt in de beslissing om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. De werkgever heeft zelf bevestigd dat de ontstane vertrouwensbreuk — die uitsluitend het gevolg was van kennisname van de privé-berichten — bepalend was bij de keuze om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. Daarmee staat vast dat zonder de ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy van beide werknemers deze vertrouwensbreuk niet zou zijn ontstaan. Het causale verband tussen de privacy-schending en het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomsten is daarmee direct en evident.
De kantonrechter kent aan beide werknemers een billijke vergoeding ter hoogte van €2.000,- bruto toe.
U leest de uitspraak hier.
Auteur: Emma Eijkelenboom