In de uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2026:315, Rechtbank Rotterdam, 11923773 HA VERZ 25-86) van de rechtbank Rotterdam heeft de kantonrechter aan een werkneemster 75% van de wettelijke transitievergoeding toegekend. In deze signalering leg ik uit hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Feiten en omstandigheden
Werkneemster werkte sinds 1 juli 2001 bij de Gemeente en werkte op de griffie van de gemeente. Begin 2025 is intern onderzoek gedaan naar het handelen van de griffie. De bevindingen van het interne onderzoek hebben een onthutsend beeld geschetst. Zo zou er sprake zijn van onregelmatigheden bij declaraties van onder andere reiskosten en overuren, buitensporige promoties en een onwenselijke vorm van bejegening naar en belasting van de ambtelijke organisatie door de griffiemedewerkers, waaronder dus werkneemster.
Op 17 juli 2025 stuurt werkneemster met drie collega’s twee e-mails aan de waarnemend griffier, het Presidium, de Werkgeverscommissie de ondernemingsraad en de gemeentesecretaris waarin zij melding maakt van een structureel onveilige werkomgeving waarin sprake is van machtsmisbreuk en intimidatie door de waarnemend griffier. Een dag later, op 18 juli 2025 stuurt de Werkgeverscommissie een vertrouwelijke Raadsinformatiebrief (RIB) aan de gemeenteraad met daarin de bevindingen van het onderzoek naar de griffie. Daarna vinden er gesprekken plaats met de griffiemedewerkers en de Werkgeverscommissie, in groepsverband en individueel, om over de gestelde onveilige werkomgeving te praten. Op 6 augustus 2025 stuurt de Werkgeverscommissie een brief aan werkneemster waarin staat dat de Werkgeverscommissie verder onderzoek gaat doen en werkneemster wordt met klem verzocht discreet om te gaan met deze kwestie en er niet met anderen over te spreken om het onderzoek zo zorgvuldig mogelijk aan te pakken. De RIB is in de pers terechtgekomen. Op 29 augustus 2025 stuurt werkneemster samen met twee collega’s een e-mail aan de gemeenteraad waarin wordt gesuggereerd dat de Werkgeverscommissie de RIB heeft gelekt aan de pers en dat de griffiemedewerkers tot dan toe geen gelegenheid tot wederhoor hebben gekregen, terwijl zij hun visie op de RIB graag met de gemeenteraad willen delen.
Werkneemster is naar aanleiding van deze gebeurtenissen geschorst op 2 september 2025. In de schorsingsbrief staat dat aan werkneemster voor de duur van de schorsing de toegang tot de gemeentelijke kantoren en andere locaties en de gemeentelijke systemen en het digitale netwerk wordt ontzegd. In de brief staat ook dat als werkneemster (opnieuw) escalerend handelt, een ontslag op staande voet niet wordt uitgesloten. Na onderzoek van de ICT-afdeling heeft de Gemeente achterhaald dat werkneemster na haar schorsing vele handelingen in de digitale werkomgeving van de Gemeente heeft verricht en onder meer vertrouwelijke informatie naar haar privémail en die van een collega heeft gestuurd. De Gemeente heeft werkneemster in een gesprek op 9 september 2025 geconfronteerd met de bevindingen en haar vervolgens op staande voet ontslagen. Als dringende redenen, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, noemt de Werkgeverscommissie in de brief: 1) het verzenden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waarover werkneemster al dan niet reeds onrechtmatig beschikte, naar haar privé-emailadres, 2) het verzenden van personeelsvertrouwelijke informatie, waarover werkneemster al dan niet reeds onrechtmatig beschikte, naar haar privé-emailadres, 3) het bewust permanent verwijderen van informatie in de digitale werkomgeving en daarmee het uitwissen van haar sporen van het verzenden van informatie naar haar privé-emailadres, 4) het maken van een ernstige inbreuk op de informatieveiligheid van de Gemeente, 5) het schenden van de ambtelijke geheimhoudingsplicht en 6) een en ander in de context waarin werkneemster reeds geschorst én gewaarschuwd was zich te onthouden van nader escalerend gedrag en waarin de Gemeente werkneemster reeds op 16 juni 2025 had bericht over het beschadigde vertrouwen.
Oordeel kantonrechter
De vraag is of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Werkneemster betwist de feiten die de Gemeente aan de dringende redenen van het ontslag op staande voet ten grondslag legt niet, met uitzondering van het bewust verwijderen van informatie in de digitale werkomgeving en het schenden van haar ambtelijke geheimhoudingsplicht. Het staat dus vast dat werkneemster een veelvoud aan vertrouwelijke e-mails naar zichzelf heeft gestuurd terwijl zij geschorst was, haar nadrukkelijk de toegang tot de gemeentelijke digitale omgeving was ontzegd en zij bovendien uitdrukkelijk gewaarschuwd was niet verder escalerend te handelen. Dit levert naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op die het ontslag op staande voet rechtvaardigt, waarbij nadrukkelijk ook de achtergrond waartegen dit heeft plaatsgevonden meeweegt. Werkneemster had er namelijk al meerdere keren voor gekozen om de ingewikkelde situatie die op de griffie was ontstaan verder te laten escaleren door bijvoorbeeld de e-mails van 17 juli 2025 te sturen en 29 augustus 2025 te sturen. Toen werkneemster na haar schorsing opnieuw escalerend handelde door niet naar een redelijke instructie van haar werkgever te luisteren, kon van de Gemeente in redelijkheid niet langer gevergd worden het dienstverband van werkneemster voort te laten duren. Dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor werkneemster heel groot zijn, maakt de uitkomst ook niet anders. Van de ervaren griffiemedewerkster die zij was, had juist anders verwacht mogen worden. Door haar handelen is het goed voorstelbaar dat de Gemeente ieder vertrouwen dat zij nog in haar had, heeft verloren. Nu de gemeente bij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gehandeld, is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven.
De kantonrechter veroordeelt de gemeente tot betaling van 75% van de transitievergoeding. Het niet toekennen van de transitievergoeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar volgens de kantonrechter. In dat kader weegt mee dat werkneemster ruim 23 jaar in dienst geweest van de Gemeente, zij heeft niet betwist dat werkneemster voor 2024 altijd goed heeft gefunctioneerd en niet is gebleken dat werkneemster van kwade wil was toen zij de bestanden doorstuurde naar haar privémail. Ook is niet gebleken dat de Gemeente (tot nu toe) schade heeft ondervonden van het handelen van werkneemster. Tot slot weegt mee dat werkneemster na het ontslag op staande voet is gediagnosticeerd met kanker en dus ziek is en een heel moeilijke periode tegemoet gaat waarin zij niet kan werken.
Beschouwing
Artikel 7:673 lid 8 BW betreft de uitzondering op de uitzondering: zelfs in het geval van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer kan recht bestaan op een gehele of gedeeltelijke transitievergoeding, als het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit wordt ook wel het luizengaatje genoemd. De kantonrechter noemt een aantal redenen waarom deze onaanvaardbaarheidstoets wordt gehaald. Opvallend is dat de kantonrechter daarbij meeweegt dat de werkneemster is gediagnosticeerd met kanker, terwijl dit pas na het ontslag op staande voet bekend is geworden en geen verband houdt met het handelen van werkneemster. Hoewel het hier gaat om een omstandigheden van het geval toets, valt ervoor te pleiten dat er meer gewicht moet worden gehecht bij deze beoordeling aan omstandigheden die verband houden met de ernstige verwijtbare gedragingen van de werkneemster. Bovendien is opvallend dat de kantonrechter niet toelicht waarom hij een percentage van 75% redelijk acht. Waarom wordt er 75% van de transitievergoeding toegekend en niet een ander percentage? Met het oog op de rechtszekerheid had het op de weg van de kantonrechter gelegen om dit percentage te motiveren.
Auteur: Emma Eijkelenboom