In 2025 schreef mijn collega Esmeralda de Jongh een signalering over de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2025 waarin is geoordeeld dat het is in strijd is met Europees recht dat de werknemer in Nederland alleen vakantie-uren opbouwt over de tijd waarin hij aanspraak heeft op loon. Zieke werknemers bouwen de gehele ziekteperiode, en niet alleen de eerste twee jaren, volledig vakantie-uren op, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon. Voor deze uitspraak was de heersende leer dat een zieke werknemer alleen de eerste twee jaar volledige vakantie-uren opbouwen. Heeft deze uitspraak een andere wind doen waaien? Nee, zo blijkt uit de uitspraak van de kantonrechter Groningen van 19 december 2025, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 februari 2026 en de uitspraak (link ) van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2026. In alle drie de uitspraken is namelijk een andersluidend oordeel gegeven. In deze signalering zal ik inzoomen op de recentere uitspraak van de kantonrechter Rotterdam (uitspraak van 5 februari 2026).
In de kwestie die speelde bij de rechtbank Rotterdam, is de werknemer op 1 april 2017 bij de werkgever in dienst getreden. Sinds 12 oktober 2022 is de werknemer arbeidsongeschikt en heeft sinds die datum niet meer gewerkt. De werknemer ontvangt sinds 9 oktober 2024 een IVA-uitkering. De werknemer heeft ontbinding van zijn eigen arbeidsovereenkomst verzocht. Dit verzoek wordt door de kantonrechter toegewezen. Daarnaast verzoekt de werknemer om uitbetaling van de vakantiedagen die zijn opgebouwd over de periode tot het einde van de wachttijd en de dagen die zijn opgebouwd na einde wachttijd, dus toen het dienstverband al slapend was. De werknemer stelt zich, ten aanzien van de opbouw van vakantiedagen na einde wachttijd op het standpunt dat artikel 7:634 lid 1 BW buiten beschouwing moet worden gelaten. Hij betoogt dat dit wetsartikel in strijd is met Europese regelgeving.
De vakantiedagen over de periode tot het einde van de wachttijd worden toegewezen. Ten aanzien van de vakantiedagen die zouden zijn opgebouwd na het einde van de wachttijd oordeelt de kantonrechter dat het standpunt van de werknemer niet wordt gevolgd. De nationale rechter moet een nationale regeling buiten beschouwing laten als deze in strijd is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in de Europese Richtlijn 2003/88/EG. In de uitspraak van 15 juli 2025 onderkent het HvJ EU echter dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen.
Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, te weten het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om de overeenkomst in zon geval van rechtswege te beëindigen, terwijl de overeenkomst in feite inhoudsloos is geworden. Na afloop van de 104 weken waarin loon is doorbetaald en de werknemer volledige vakantiedagen heeft opgebouwd, heeft de werknemer dus geen re-integratieverplichtingen meer. Daarmee verliest de recuperatiefunctie van de jaarlijkse vakantie zijn doel. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers in staat te stellen om uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werknemer met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen.
Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het HvJ EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt evenmin bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet staat is te werken zal na 104 weken als uitgangspunt recht hebben op een uitkering en uit hoofde van die uitkering recht hebben op betaalde vakantie. Dit geldt ook voor de werknemer in deze kwestie. Hij ontvangt immers vanaf 9 oktober 2024 een IVA uitkering. Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW strijdig is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer inzake de uitbetaling van de vakantiedagen die zouden zijn opgebouwd over de periode na einde wachttijd af.
Spreekwoordelijk gezegd staat het nu ‘3-1’ voor de stroming dat na einde wachttijd worden er geen vakantiedagen worden opgebouwd. Ik ben erg benieuwd hoe deze lijn zich verder gaat ontwikkelen in de rechtspraak. De tijd zal het leren.
Auteur: Emma Eijkelenboom