In een kort gedinguitspraak van 4 februari 2026 oordeelde de kantonrechter dat de gemeente een ambtenaar ten onrechte heeft geschorst naar aanleiding van een vermoeden van ongewenst gedrag (link).
De ambtenaar werkte van 1 december 2023 tot 1 maart 2025 als waarnemend locatiehoofd Gemeente Opvang Oekraïne en had daarbij rechtstreeks contact met bewoners van de opvang. Daarna keerde hij terug in de functie van Specialist Inkomen.
Tijdens een gesprek van 16 september 2025 deelde de gemeente aan de ambtenaar mee dat hij werd geschorst en nam toen de bedrijfsmiddelen (de laptop en de telefoon) in. De schorsing werd in een brief van 23 september 2025 bevestigd op grond van artikel 11.4 lid 1 aanhef sub c van cao Gemeenten. Hierin staat dat de werkgever over kan gaan tot schorsing dat noodzakelijk is gelet op bedrijfs- of dienstbelangen. De reden voor de schorsing was een vermoeden en/of een melding van ongewenst gedrag op de werkvloer dat naar oordeel van de gemeente moest worden onderzocht.
De gemeente heeft onderzoeksbureau BING ingeschakeld om onderzoek te doen naar aanleiding van de volgende twee meldingen:
- vermeend ongewenst gedrag jegens één specifieke melder;
- vermeend ongewenst gedrag jegens vrouwen in het algemeen.
De eerste melder gaf aan zelf ongewenst gedrag van de ambtenaar te hebben ervaren en wilde niet herleidbaar zijn in het onderzoek. Daardoor kon informatie uit het onderzoek die mogelijk naar haar verwees niet worden gebruikt. Aangezien de ambtenaar zich niet herkende in het gedrag en er geen aanvullend bewijs was, concludeerde het onderzoeksbureau dat het gestelde gedrag niet kon worden vastgesteld.
De tweede melder heeft het ongepast gedrag van de ambtenaar jegens de eerste melder en andere collega’s waargenomen. Hij beschreef slechts een algemeen patroon en kon hier geen concrete voorbeelden van geven. Zijn verklaring was daardoor niet onderzoekbaar en/of verifieerbaar.
Beide melders hebben aangegeven dat de ambtenaar WhatsApp contact had met Oekraïense vrouwen. Onderzoek naar deze gesprekken liet zien dat het merendeel zakelijk was, maar dat in enkele gevallen privé informatie werd gedeeld of op ongepaste wijze contact werd onderhouden.
Per brief van 19 januari 2026 nodigde de gemeente de ambtenaar uit om in gesprek te gaan over het onderzoeksrapport. De gemeente heeft de schorsing toen gehandhaafd. In kort geding vorderde de ambtenaar intrekking van de schorsing, toelating tot het werk en een rectificatie richting medewerkers.
De kantonrechter stelt voorop dat een schorsing alleen gerechtvaardigd is als daarvoor een redelijke grond is die zwaarder weegt dan het belang van de werknemer om toegelaten te worden tot het werk. Daarnaast moet het aannemelijk zijn dat de schorsing in een bodemprocedure zal worden voortgezet.
De kantonrechter oordeelt dat de meldingen het schorsingsbesluit niet kunnen dragen. Het was begrijpelijk dat de gemeente onderzoek liet doen naar de meldingen, maar niet dat de gemeente direct overging tot schorsing. Het schorsingsbesluit zag uitsluitend op vermeend gedrag jegens collega’s, terwijl uit het onderzoek is gebleken dat deze verwijten niet konden worden vastgesteld. Dat had de gemeente kunnen voorzien, gezien de wens van de melder om niet herleidbaar te zijn. Zelfs al zouden de verweten gedragingen wel hebben plaatsgevonden, overwoog de kantonrechter dat de schorsing disproportioneel zou zijn. De gemeente heeft immers niet gemotiveerd dat schorsing noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- en/of dienstbelangen.
De gemeente stelde vervolgens dat er wel voldoende rechtvaardiging bestond voor een voortzetting van de schorsing, gelet op het WhatsApp contact dat de ambtenaar had met bewoners van de opvang. De kantonrechter is het daar niet mee eens, omdat deze gedragingen niet in het oorspronkelijke schorsingsbesluit zijn opgenomen. Een nieuwe grond voor schorsing kan niet achteraf worden “ingelezen”. Hoewel de ambtenaar zich in enkele WhatsApp berichten ongepast heeft uitgelaten, is dit onvoldoende om de schorsing te rechtvaardigen. De rechter benadrukt dat dit niet betekent dat hem geen verwijt treft, maar de gemeente heeft de noodzaak van schorsing niet onderbouwd. Ook heeft de ambtenaar volgens de rechter niet onjuist verklaard, maar slechts een verkeerde inschatting gemaakt van wat een ongepast gesprek is. De kantonrechter overweegt dat het onaannemelijk is dat de schorsing in een bodemprocedure standhoudt.
De kantonrechter beveelt de gemeente het schorsingsbesluit in te trekken en een rectificatie te plaatsen. De ambtenaar moet worden toegelaten tot het werk zodra hierover contact is geweest met de bedrijfsarts, aangezien hij op het moment van de zitting arbeidsongeschikt was.
Auteur: Justine Plat