In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 februari 2025 oordeelde de kantonrechter over de geldigheid van een persoonlijke toeslag en bijbehorende afbouwregeling na een reeks overgang van onderneming onder een standaard-cao (link).
Feiten en omstandigheden
Werknemer trad in 1998 in dienst bij de rechtsvoorganger van de huidige werkgever, aanvankelijk zonder cao. Per 1 januari 2014 ging hij via een overgang van onderneming over naar de huidige werkgever, waarbij de standaard-cao Beroepsgoederenvervoer geldt. Een standaard cao houdt in dat niet, noch in positieve noch in negatieve zin, van de cao afspraken mag worden afgeweken. De werknemer werd ingeschaald in de cao loonschaal voor zijn functie, waarbij een lager salaris gold dan bij de voorganger. Het hogere deel aan loon is omgezet in een persoonlijke toeslag van € 699,47 bruto, met een regeling waarbij de persoonlijke toeslag wordt afgebouwd met elke initiële en tredeverhoging (de afbouwregeling). Hierdoor groeit het totale loon van de werknemer toe naar het cao-loon dat geldt binnen de onderneming. Per 1 januari 2019 volgde een tweede overgang van onderneming binnen dezelfde groep bij de werkgever. Toen is opnieuw een persoonlijke toeslag (toen nog € 372,09 bruto) en een afbouwregeling overeengekomen. Werknemer stelt in deze procedure dat de toeslag en de afbouwregeling in strijd zijn met de rechten bij overgang van onderneming.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af en overweegt als volgt. Vanwege het standaard karakter van de cao kan geen hoger salaris aan de werknemer worden betaald dan de cao toelaat. De kantonrechter overweegt dat het standaard karakter alleen betrekking heeft op onderwerpen die in de cao zijn geregeld. Aangezien de cao geen regels bevat over de rechten en plichten van werknemers bij een overgang van onderneming, betekent dit dat werkgevers en werknemers afwijkende regelingen kunnen overeenkomen. Daarom heeft de werkgever een persoonlijke toeslag op het loon aan de werknemer toegekend en is deze rechtsgeldig. De kantonrechter oordeelt daarna dat ook de afbouwregeling op de persoonlijke toeslag van de werknemer rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat de arbeidsvoorwaarden van eiser als gevolg van het afbouwbeding zijn verslechterd. Door de persoonlijke toeslag die de werknemer heeft ontvangen na de overgang van onderneming, ontving de werknemer per saldo hetzelfde salaris als hij daarvoor ontving en dit is hij ook blijven ontvangen. Het is onduidelijk hoe de loonontwikkeling van de werknemer zou zijn geweest zonder de overname. In de arbeidsovereenkomst bij de rechtsvoorganger van de werkgever is namelijk niet overeengekomen dat de werknemer recht heeft op periodieke loonsverhogingen en de werknemer heeft naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd met andere feiten dat hij wel degelijk salarisverhogingen zou hebben ontvangen (zodat hij deze bij zijn huidige werkgever ook zou moeten krijgen). De afbouwregeling, waarbij alleen het cao-loon stijgt en het totale inkomen van de werknemer gelijk blijft waardoor de persoonlijke toeslag van de werknemer wordt afgebouwd, is dus rechtsgeldig. Als de cao-loonsverhogingen worden toegepast op het totale inkomen van de werknemer, wordt naar mening van de kantonrechter afbreuk gedaan aan het standaardkarakter van de cao.
Opmerking:
Deze zaak belicht het spanningsveld rond de (on)mogelijkheden van loonharmonisatie door de werking van overgang van onderneming in combinatie met het standaardkarakter van een cao. Het is de vraag wat de uitkomst van deze procedure zou zijn geweest als de werknemer wél had kunnen aantonen dat hij bij de rechtsvoorganger (voor de overgang van onderneming) recht had op salarisverhogingen. Dan had hij op basis van de regels rond overgang van onderneming deze verhogingen moeten ontvangen. Het zou dan niet mogelijk zijn geweest het standaardkarakter van de cao te eerbiedigen, omdat zijn salaris hoger zou blijven dan het toepasselijke cao-loon.
Auteur: Justine Plat