De Hoge Raad geeft duidelijkheid over de rechtsgeldigheid van het studiekostenbeding Beroepsopleiding advocatuur

Justine Plat

Op 26 september 2025 heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over de rechtsgeldigheid van het studiekostenbeding dat wordt aangegaan met een advocaat stagiaire in het kader van de beroepsopleiding advocatuur (link). Op grond van artikel 7:611a BW dient de werkgever deze opleiding kosteloos aan te bieden. Een studiekostenbeding dat de werknemer verplicht deze kosten (geheel of gedeeltelijk) terug te betalen, is nietig.

Het studiekostenbeding
In augustus 2022 is de richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (richtlijn 2019/1152) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd, wat heeft geleid tot een wijziging van artikel 7:611a BW (het studiekostenbeding). Sindsdien is het overeenkomen van een rechtsgeldig studiekostenbeding aanzienlijk beperkt. Uit artikel 7:611a lid 1 BW volgt dat de werkgever de werknemer in staat stelt scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn of haar functie. Niet iedere opleiding kwalificeert als wettelijk verplichte scholing zodat deze voor rekening van de werkgever komen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat indien de werkgever op grond van Europees recht, nationaal recht, een cao of een regeling van een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is om deze scholing aan te bieden, de werkgever deze scholing kosteloos moet aanbieden. Op grond van lid 4 is een beding waarin is bepaald dat de studiekosten worden verhaald of verrekend met de inkomsten uit de dienstbetrekking van de werknemer nietig. Hierop bestaat een uitzondering voor beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie zoals bedoeld in beroepskwalificatie richtlijn 2005/36.

Procedure in eerste aanleg
Op 16 juni 2024 heeft een kantonrechter van de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over de vraag of het studiekostenbeding, waarin was bepaald dat de werkgever de kosten van de beroepsopleiding advocatuur op de werkneemster mocht verhalen, geldig was nadat zij op staande voet ontslagen was (link). De werkneemster was per 1 juni 2022 in dienst getreden bij werkgever in de functie van advocaat-stagiaire. In de arbeidsovereenkomst van werkneemster is het volgende opgenomen ten aanzien van het met haar overeengekomen studiekostenbeding voor de beroepsopleiding advocatuur:

“1. Werkneemster zal deelnemen aan de Beroepsopleiding Advocaten (BA). Werkgever draagt de studiekosten van Werkneemster bestaande uit:

• Lesgelden;

• Lesmaterialen;

• Een examen en een herexamen per vak, het tweede of volgende herexamen komt voor rekening van Werkneemster;

  1. Werkneemster volgt de studie in eigen tijd, behoudens de voorgeschreven contactmomenten, zoals cursusdagen. Ten behoeve van een examen krijgt de Werkneemster een vrije dag. Voor herexamens wordt Werkneemster geacht een vakantiedag op te nemen;
  2. Reis- en verblijfkosten komen voor rekening van Werkneemster;
  3. Werkneemster is gehouden de onder sub b genoemde studiekosten volledig aan Werkgever terug te betalen voor zover deze kosten niet of niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op een aan Werkneemster verschuldigde transitievergoeding:

    • indien Werkneemster zonder gegronde reden de opleiding afbreekt voordat deze met een diploma is afgerond; dan wel

    • de opleiding niet binnen redelijke termijn afrondt; dan wel

    • het dienstverband op initiatief van Werkneemster tijdens de opleiding is beëindigd; dan wel

    • het dienstverband op initiatief van Werkgever tijdens de opleiding rechtsgeldig is beëindigd wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek.
  4. Werkneemster is ook gehouden de studiekosten volledig of deels aan Werkgever terug te betalen – voor zover deze kosten niet of niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op de aan Werkneemster verschuldigde transitievergoeding indien:

    • het dienstverband op verzoek van Werkneemster binnen drie jaar na afronding van de opleiding wordt beëindigd of het dienstverband door Werkgever binnen drie jaar na afronding van de opleiding wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek wordt beëindigd.

    *onderstreping aangebracht door Van den Brekel advocaten

Werkgever heeft werkneemster op 19 mei 2023 op staande voet ontslagen omdat werkneemster meerdere malen geen redelijke instructies van haar werkgever opvolgde.

Werkneemster is een procedure gestart bij de kantonrechter. Zij legt zich neer bij het ontslag en verzoekt om een verklaring voor recht dat geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. De werkgever verzoekt in deze procedure om terugbetaling van de studiekosten die hij voor werkneemster heeft gemaakt op basis van lid 5 van de hierboven genoemde bepaling uit de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet terecht gegeven is. De kantonrechter overweegt echter dat werkneemster niet verplicht is de studiekosten terug te betalen aan de werkgever. De kantonrechter overweegt dat werkneemster op grond van nationaal recht, artikel 8c lid 1 sub c van de Advocatenwet, binnen drie jaar de beroepsopleiding moet hebben afgerond, anders wordt werkneemster van het tableau geschrapt en mag zij de functie van advocaat niet langer uitoefenen. De beroepsopleiding is volgens de kantonrechter dus noodzakelijk voor de functie van advocaat waarvoor werkneemster is aangenomen. Het studiekostenbeding is derhalve nietig en de werkgever kan geen terugbetaling van de gemaakte studiekosten vorderen.

Hoger beroep
Tegen de beschikking van de kantonrechter is hoger beroep ingesteld (link). Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of het tussen partijen overeengekomen studiekostenbeding met betrekking tot de door werkneemster gevolgde beroepsopleiding advocatuur rechtsgeldig is. Het hof stelt hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt dat de Beroepsopleiding advocatuur kwalificeert als verplichte scholing in de zin van artikel 7:611a BW dat de werkgever deze opleiding kosteloos moet aanbieden aan de werknemer. De Hoge Raad oordeelt dat de Beroepsopleiding advocatuur kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van advocaat-stagiaire en dat de werkgever op grond van nationaal recht verplicht is om deze scholing aan te bieden. Ingevolge lid 4 van artikel 7:611a BW is een beding waarin staat dat werkneemster de kosten voor de Beroepsopleiding advocatuur moet terugbetalen aan de werkgever, nietig.

Opmerking
Het komt geregeld voor dat de werkgever en de werknemer een studiekostenbeding overeenkomen in de arbeidsovereenkomst. Sinds de implementatie van de richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (richtlijn 2019/1152) is het in beperkte mate mogelijk om een rechtsgeldig studiekostenbeding overeen te komen. De Hoge Raad heeft nu voor de Beroepsopleiding advocatuur concreet geoordeeld dat een studiekostenbeding waaruit volgt dat de kosten (geheel of gedeeltelijk) op de werknemer kunnen worden verhaald, nietig is.

Auteur: Justine Plat

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder