Feiten
Appellant is werkzaam als beveiliger in de hoedanigheid van zzp’er. Verweerder 1 levert servicemedewerkers aan bedrijven die toezicht houden en orde bewaken en verweerder 2 levert beveiligingspersoneel aan bedrijven. Vanaf 18 oktober 2022 heeft appellant verschillende overeenkomsten van opdracht gesloten met zowel verweerder 1 en verweerder 2. In deze overeenkomsten van opdracht staat dat appellant tegen beloning servicewerkzaamheden en toezichthoudende taken verricht. Appellant factureert aan de verweerders voor de geleverde diensten en maakt gebruik van de kleine ondernemersregeling (de KOR). Na een reeks overeenkomsten van opdracht te hebben gesloten, zegt verweerder 2 op 4 september 2023 de overeenkomst met appellant op, omdat hij tijdens zijn beveiligingsdienst naar de Albert Heijn was gegaan. Appellant zegt nu dat hij vanaf iedere periode vanaf 1 oktober 2022 werkzaam is geweest onder een arbeidsovereenkomst en recht heeft op alle rechten die hierbij horen, zoals loon op basis van de cao. Appellant vordert daarnaast vernietiging van de opzegging en een wedertewerkstelling. Appellant zegt dat, nu sprake is van een arbeidsovereenkomst, de opzegging van 4 september 2022 moet worden gezien als een ontslag op staande voet. Nu dit ontslag op staande voet niet voldoet aan de wettelijke eisen, is dit onterecht verleend en moet de opzegging worden vernietigd.
Oordeel hof
Het hof (link) concludeert om een aantal redenen dat appellant niet werkzaam is op basis van een overeenkomst van opdracht, maar op basis van een arbeidsovereenkomst. Het hof kijkt hierbij naar de volgende punten:
- Wat komt voort uit de vergelijking tussen de werknemers die werken op het kantoor bij verweerders en appellant die als beveiliger op zzpbasis werkte?
- Heeft verweerder leiding en toezicht over appellant?
- Hoe wordt appellant ingeroosterd en kan appellant zich laten vervangen?
- Maakte appellant gebruik van bedrijfsmiddelen van verweerder?
Verweerders zeggen dat de positie van appellant als zzp’er wezenlijk verschilt van de werknemers die bij verweerders op kantoor werken. Het hof oordeelt dat aan dit punt niet te veel waarde moet worden gehecht, omdat er zeer weinig werknemers in loondienst werken bij verweerders die feitelijk op locatie werken als beveiliger. Het feit dat de rechtspositie van de werknemers op het kantoor verschilt van die van appellant die op zzp-basis werkt als beveiliger, weegt niet zwaar omdat de hoofdactiviteit, de beveiliging op locaties, voor het overgrote deel werd uitgevoerd door zzp’ers. Het hof overweegt vervolgens dat verweerders de bevoegdheid hadden om instructies te geven aan appellant over hoe de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd. Verweerders voerden daarmee gezag en controle uit. Het hof oordeelt dat er niet veel verschil was in de manier waarop werknemers werden ingeroosterd en de manier waarop appellant werd ingeroosterd. Het hof komt ook tot de conclusie dat appellant zich mocht laten vervangen, mits de vervanging voldeed aan de kwalificatie eisen van verweerder, maar dat dit niet de voorkeur had van verweerder. Als laatst gebruikte appellant bedrijfsmiddelen van verweerder, zoals een polo, jas, broek, etc. Alles gewogen komt het hof tot het oordeel dat de relatie tussen appellant en verweerder kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Het hof oordeelt vervolgens dat het ontslag op staande voet (de opzegging) van 4 september 2022 niet rechtsgeldig gegeven.
Het hof wijst een tussenbeschikking en stelt appellant en verweerder in de gelegenheid om een berekening van het brutoloon aan te dragen over de periode dat appellant werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst.
Opmerking
De laatste jaren is veel geprocedeerd over schijnzelfstandigheid. Het is niet altijd gemakkelijk te bepalen of een arbeidsrelatie kwalificeert als een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Dit komt neer op veel feitelijkheden die de arbeidsrelatie typeren en of deze voldoen aan de arbeidsovereenkomst.
Auteur: Justine Plat