In de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 februari 2025 staat de vraag ter discussie voor welke duur partijen een (mondelinge) arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Wat speelde er precies?
Feiten en omstandigheden
Werkneemster is op 1 juni 2024 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij werkgeefster als secretaresse voor 24 uur per week tegen een loon van €1.418,67 bruto per maand. De cao GGZ is van toepassing.
Op 26 augustus 2024 heeft werkneemster zich ziekgemeld bij haar teamleider. Tijdens een gesprek op 5 september 2024 heeft werkgeefster haar meegedeeld dat zij niet meer hoeft te komen werken en haar verzocht haar sleutels direct in te leveren. Kort daarna ontving werkneemster een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een ingangsdatum van 3 juni 2024 en een duur van drie maanden. Dit document, dat niet is ondertekend, is gedateerd op 10 september 2024. Sinds september 2024 heeft werkgeefster geen loon meer uitbetaald.
Werkneemster verzoekt de kantonrechter te verklaren dat de opzegging van haar arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is en werkgeefster te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding, de niet-genoten vakantiedagen en het vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot verstrekking van de eindafrekening. Volgens haar is een arbeidsovereenkomst voor twaalf maanden overeengekomen, lopend tot 1 juni 2025, en heeft werkgeefster deze op 5 september 2024 per direct opgezegd, hetgeen niet rechtsgeldig is. Werkgeefster stelt dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd, maar dat deze van rechtswege is geëindigd op 1 september 2024, omdat een contract voor drie maanden was overeengekomen en dat contract niet is verlengd. Daarom moet het verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding volgens haar worden afgewezen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat een werkgever verplicht is binnen een week na aanvang van werkzaamheden aan de werknemer een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van de einddatum of de duur van de overeenkomst, indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Deze verplichting geldt niet als deze informatie is vermeld in een schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit artikel 7:655 lid 1 sub e en lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW).
Bij aanvang van de werkzaamheden is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. Werkgeefster heeft niet gesteld en de kantonrechter is ook niet gebleken dat er na aanvang van de werkzaamheden op 1 juni 2024 binnen een week aan werkneemster een opgave is gedaan van de duur van de overeenkomst of de einddatum. De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat de bewijslast van de duur van de arbeidsovereenkomst niet automatisch bij de werkgever ligt. Nu de werkgever niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht op grond van artikel 7:655 BW en er een verschil van mening is ontstaan over de inhoud van de arbeidsovereenkomst, is dit naar het oordeel van de kantonrechter wel reden de werkgever eerder dan de werknemer met het bewijs te belasten dat zijn visie de juiste is.
Werkneemster stelt dat zij met werkgeefster een mondelinge arbeidsovereenkomst voor twaalf maanden is overeengekomen, hetgeen ondersteund wordt door de vacaturetekst waarin een jaarcontract werd aangeboden en WhatsApp-berichten van haar teamleider. Werkgeefster voert daarentegen aan dat sprake was van een contract voor drie maanden, maar onderbouwt dit niet met documenten en presenteert inconsistenties in haar stellingen. De kantonrechter oordeelt dat er voldoende aanwijzingen zijn voor een contract van langere duur dan drie maanden. Zo heeft de teamleider op 31 augustus 2024 een Whatsappbericht gestuurd aan werkneemster dat zij de volgende dag niet hoeft te starten om 9:00 uur waarbij zij uitgenodigd wordt voor een gesprek op 5 september 2024. De kantonrechter leidt hieruit af dat werkgeefster in ieder geval nog verwachtte dat zij de volgende dag zou komen werken. Als de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden was geweest, had werkgeefster geen reden om een dergelijk bericht te versturen. Op 5 september 2024 heeft werkgeefster werkneemster medegedeeld dat er geen plek meer voor haar is en haar verzocht haar sleutels in te leveren. Dit wordt beschouwd als een opzegging zonder dringende reden, waardoor de opzegging niet rechtsgeldig is. Werkneemster berust in het ontslag, waardoor het dienstverband per die datum eindigt. Aangezien er sprake is van een onregelmatige opzegging, heeft werkneemster recht op een gefixeerde schadevergoeding van € 3.064,52 bruto, inclusief het niet-betaalde loon over de periode van 1 tot 5 september 2024. Tevens wordt de transitievergoeding van €134,66 bruto toegewezen, nu werkgeefster hiertegen geen verweer heeft gevoerd. Werkgeefster wordt daarnaast veroordeeld tot betaling van de niet-genoten vakantiedagen en vakantietoeslag over de periode 1 juni tot en met 5 september 2024, met wettelijke rente vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst. Ook dient zij binnen veertien dagen een eindafrekening te verstrekken.
Auteur: Emma Eijkelenboom