Een uitzendbureau hoeft geen arbeidsovereenkomst aan te bieden aan een uitzendkracht die bijna vijf jaar in dienst is

Justine Plat

Feiten
Een uitzendkracht heeft van 11 juni 2020 tot en met 16 februari 2025 op basis van een uitzendovereenkomst bij een uitzendbureau gewerkt. In juli 2024 heeft het uitzendbureau aan de uitzendkracht laten weten dat zij geen arbeidsovereenkomst aanbiedt en dat de uitzendovereenkomst na 15 februari 2025 niet wordt verlengd, omdat dan de maximale termijn periode voor uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd wordt overschreden. In de cao die van toepassing is op de uitzendkrachten, die werken bij het uitzendbureau, staat dat uitzendkrachten die naar oordeel van het uitzendbureau vakvolwassen zijn en goed functioneren binnen een jaar een arbeidsovereenkomst krijgen als er ruimte is in de formatie. Daarnaast zegt de uitzendkracht dat hij op basis van artikel 5 van de uitzendrichtlijn 2008/104 (‘de uitzendrichtlijn’) en Europese jurisprudentie recht heeft op een arbeidsovereenkomst. Het uitzendbureau weigert hem een arbeidsovereenkomst aan te bieden en daarom wendt de uitzendkracht zich tot de rechter.

Oordeel voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter (link) oordeelt dat het uitzendbureau niet verplicht is om de uitzendkracht op basis van de cao een arbeidsovereenkomst aan te bieden, omdat hij niet voldoet aan de eisen die het uitzendbureau hieraan stelt. Voorts oordeelt de voorzieningenrechter dat niet uit artikel 5 van de uitzendrichtlijn volgt dat aan de uitzendkracht een arbeidsovereenkomst moet worden aangeboden. Artikel 5 van de uitzendrichtlijn bepaalt kortweg dat de lidstaten, in overeenstemming met hun nationale wetgeving, maatregelen moeten nemen om misbruik van de uitzendconstructie te voorkomen, met name wanneer achtereenvolgende opdrachten worden gebruikt om de bepalingen van de richtlijn te omzeilen. De voorzieningenrechter oordeelt dat, enkel het feit dat de uitzendkracht 4,5 jaar voor het uitzendbureau heeft gewerkt, geen blijk geeft van misbruik van de uitzendrichtlijn. Zowel op basis van de cao als de uitzendrichtlijn en Europese jurisprudentie op dit vlak, is het uitzendbureau derhalve niet verplicht de uitzendkracht een arbeidsovereenkomst aan te bieden.

Opmerking
Het werken op basis van een uitzendconstructie is een bijzondere vorm van werk, omdat een werknemer formeel in dienst is bij het uitzendbureau, maar werkzaamheden verricht bij een ander bedrijf (de inlener). Het werken op basis van een uitzendconstructie is door de Europese wetgever en rechter de laatste jaren sterk gereguleerd. Vanuit Europees recht is het uitgangspunt dat werken op basis van een uitzendovereenkomst naar zijn aard tijdelijk moet zijn en volgens de Europese rechter moeten lidstaten ervoor waken dat geen misbruik wordt gemaakt van de uitzendrichtlijn door opeenvolgende uitzendovereenkomsten te sluiten, waardoor het werk naar aard niet meer tijdelijk is.

In de praktijk, zoals blijkt uit deze uitspraak, werken uitzendkrachten vaak een lange tijd voor een uitzendbureau, waardoor kan worden gesteld dat niet meer sprake is van tijdelijkheid. Het enkele feit dat het uitzendbureau voor langere tijd meerdere uitzendovereenkomsten sluit met de uitzendkracht, getuigt echter niet van misbruik van de uitzendrichtlijn. Het is ook maar de vraag of een uitzendkracht op basis van de richtlijn en Europese rechtspraak via de rechter een arbeidsovereenkomst kan afdwingen. De richtlijn geeft daar namelijk geen grondslag voor.

Auteur: Justine Plat

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder