Onzorgvuldig omgaan met klachten over grensoverschrijdend gedrag en een gebrekkig onderzoek leidt tot een billijke vergoeding van €350.000

Justine Plat

Op 30 juni 2025 heeft de rechtbank Amsterdam (link) de arbeidsovereenkomst van een werkneemster ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De rechter kende haar daarbij verschillende vergoedingen toe, waaronder een billijke vergoeding van € 350.000. In deze zaak speelde het volgende. Werkneemster is sinds 1994 in dienst bij de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de HvA) als Hoofd Onderwijsbureau en zij was verantwoordelijk voor de logistiek en processen binnen de faculteit Business & Economie (FBE). In 2019 is binnen Finance & Accounting (F&A) een transformatie gestart waarbij de financiële processen en de bedrijfsvoering ingrijpend werden gewijzigd. In dat kader is werkneemster in 2021 gevraagd om, naast haar eigen functie, ook de taken van waarnemend opleidingsmanager 2 op zich te nemen. De transformatie zorgde binnen de afdeling F&A van de HvA voor onrust, omdat daarbij afscheid moest worden genomen van medewerkers.

Uit beoordelingen over de jaren 2021, 2022 en 2023 en een gratificatie uit 2023 bleek dat werkneemster uitstekend functioneerde. In de functioneringsverslagen is aan de orde gesteld dat werkneemster een directe communicatiestijl heeft, maar dit heeft niet tot waarschuwingen vanuit de HvA geleid.

In de periode van augustus 2022 tot en met medio 2023 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de psychosociale arbeidsbelasting binnen FBE, waar werkneemster onderdeel van was. Uit dit onderzoek bleek dat de hoge werkdruk, de ingrijpende (onderwijs)veranderingen, de werksfeer en de omgangsvormen leidden tot problemen met de psychosociale arbeidsbelasting van werknemers binnen FBE. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft werkneemster echter nooit feedback ontvangen over haar functioneren. Zij heeft zelfs in 2023 een gratificatie ontvangen.

Op 6 oktober 2023 heeft de leidinggevende van werkneemster voor het eerst mondeling aan haar gecommuniceerd dat er signalen van sociale onveiligheid waren. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de leidinggevende van werkneemster op 12 november 2023 een e-mail gestuurd naar werkneemster waarin hij haar vraagt te reageren op de signalen rondom sociale veiligheid. Op 21 november 2023, één dag voor de vakantie van werkneemster, stuurde haar leidinggevende haar een e-mail. Daarin schreef hij dat hij uit verschillende hoeken binnen cluster F&A signalen van sociale onveiligheid had ontvangen en noemde hij voorbeelden daarvan, zoals een agressieve benadering en stemverheffing. Werkneemster schreef dezelfde dag een e-mail terug waarin zij aangaf dat de kritiek omtrent sociale onveiligheid hard bij haar binnenkomt en zij hier in een gesprek na haar vakantie op terug zou komen. Haar leidinggevende heeft op 22 november 2023 haar een e-mail gestuurd waarin hij haar bedankte voor haar reactie en haar eerlijkheid.

Werkneemster is vervolgens van 22 november 2023 tot en met 7 januari 2024 met vakantie geweest. Op 27 december 2023, tijdens de vakantie van werkneemster, heeft de leidinggevende van werkneemster haar uitgenodigd voor een gesprek op 8 januari 2024 om 09:00 uur, de eerste dag na haar vakantie. Naar aanleiding van dit gesprek stuurde werkneemster op 9 januari een e-mail aan haar leidinggevende, waarin zij samenvatte wat de signalen over sociale onveiligheid inhielden. Daarin schreef zij dat feitelijk de vraag werd neergelegd welke keuze zij in haar functie wilde maken: stoppen of doorgaan. De leidinggevende van werkneemster gaf daarbij aan dat werkneemster de regie had, verschillende opties kon verkennen en daarover advies kon inwinnen. Op 10 januari stuurt de leidinggevende van werkneemster ook een e-mail met een gespreksverslag naar werkneemster. In deze e-mail zegt de leidinggevende van werkneemster onder meer:

  • Dat haar positie als opleidingsmanager F&A verder onder druk is komen te gaan en onhoudbaar is geworden;
  • een steeds grotere groep onveilig voelt rondom werkneemster en er geen vertrouwen is dat dit binnen een redelijke termijn zou veranderen;
  • er geen vertrouwen is in een verbetertraject of een onderzoek naar sociale veiligheid, omdat dit juist voor tot onrust zou leiden;
  • in het gesprek twee opties zijn besproken: een andere functie binnen HvA of vertrek uit de organisatie
  • de leidinggevende van werkneemster haar adviseerde om zelf initiatief te nemen om te stoppen, omdat er geen draagvlak of vertrouwen meer is.

Dezelfde dag, op 10 januari, heeft een nieuw gesprek plaatsgevonden tussen de leidinggevende van werkneemster en werkneemster, waarin aan haar is medegedeeld dat zij op non-actief werd gesteld. Werkneemster heeft hierna meerdere malen gevraagd wat voor meldingen precies zijn binnengekomen over haar. De HvA en werkneemster zijn hier niet uitgekomen en op 23 februari 2024 is aangekondigd dat onderzoek zal worden gedaan naar de sociale veiligheid met betrekking tot werkneemster binnen cluster F&A.

Het onderzoek naar sociale veiligheid rondom werkneemster is pas op 1 oktober 2024 van start gegaan. Dit onderzoek werd verricht door een advocatenkantoor. Het advocatenkantoor heeft een aantal werknemers geïnterviewd, waarvan een aantal werknemers die positief hebben verklaard over werkneemster niet in het onderzoek zijn meegenomen. Gebleken is dat sommige werknemers uit rancune over werkneemster hebben verklaard; zo is zij zelfs een keer omschreven als ‘concentratiekampbewaakster’. Uit zowel de positieve als negatieve interviews komt naar voren dat werkneemster een directe communicatiestijl hanteerde. De conclusie van het rapport wad dat sprake zou zijn geweest van grensoverschrijdend gedrag door werkneemster.

Later, uit e-mails van 8 april 2025 van twee docenten van de HvA, blijkt dat het werkklimaat met betrekking tot sociale veiligheid nog steeds als onvoldoende wordt beschouwd. Werkneemster heeft hierna nog zes (anonieme) verklaringen overlegd van collega’s die positief over haar verklaren.

Het verzoek aan de kantonrechter
De HvA verzoekt bij de kantonrechter om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. De werkneemster voert aan dat wel sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar dat deze niet aan haar te wijten is. Zij verzoekt om meerdere vergoedingen, waaronder een billijke vergoeding omdat de ontbinding een gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door de HvA.

Wat oordeelt de kantonrechter?
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen de HvA en de werkneemster. Zowel werkneemster als de HvA zijn het erover eens dat de arbeidsverhouding in ernstige mate verstoord is geraakt, in geschil is voornamelijk welke vergoedingen aan werkneemster moeten worden betaald. De kantonrechter oordeelt dat de HvA een billijke vergoeding moet betalen aan werkneemster omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door de HvA. De kantonrechter overweegt dat de wijze van het handelen van de HvA ten aanzien van werkneemster (zeer) onzorgvuldig was.

Werkneemster is een lange tijd in dienst geweest bij de HvA en heeft altijd goed gefunctioneerd. Pas op 6 oktober 2023 waren er signalen over sociale onveiligheid en is dit aan werkneemster gecommuniceerd. De kantonrechter neemt hierbij in ogenschouw dat de afdeling waar de meldingen van afkomstig waren, een afdeling was waar werkneemster grote veranderingen teweeg moest brengen, waardoor de sfeer al niet goed was. Kort hierna, voor de vakantie van werkneemster, werd aan haar verzocht te reageren op de kritiek die pas later door de HvA iets concreter werd gemaakt. Nog tijdens de vakantie van werkneemster werd haar een e-mail verstuurd waarin zij werd uitgenodigd voor een gesprek waarin zij de klachten over sociale onveiligheid zouden bespreken. In dit gesprek werd onder meer naar werkneemster gecommuniceerd dat geen vertrouwen was in een verbeterplan, een verbeterplan en een onderzoek alleen maar tot onrust zou leiden en werkneemster er goed aan zou doen om zelf initiatief te nemen om te vertrekken. De HvA heeft steeds geweigerd om concreet te maken wie welke kritiek over werkneemster had geuit, hierdoor is werkneemster de kans is ontnomen om zich te verdedigen tegen de kritiek of verbeteringen voor te stellen. Na het gesprek van 8 januari is werkneemster op non-actief gesteld. Door deze gang van zaken heeft de HvA zich niet als goed werkgever gedragen.

Verder overweegt de kantonrechter dat de HvA zich, nadat werkneemster op non-actief werd gesteld, zich niet als goed werkgever had gedragen. De HvA heeft in deze situatie haar eigen regelingen en handreikingen niet gevolgd, door werkneemster direct op non-actief te stellen in plaats van eerst het gesprek met haar aan te gaan of mediation te starten. Daarnaast heeft de HvA te laat een onderzoek ingesteld naar sociale onveiligheid rondom werkneemster. Het onderzoek werd in februari 2024 aangekondigd en ging in oktober 2024 van start, terwijl werkneemster in januari 2024 al op non-actief was gesteld. In maart 2025 heeft de HvA het ontbindingsverzoek ingediend bij de rechtbank, waardoor werkneemster ruim een jaar geschorst is geweest. Verder overweegt de kantonrechter dat het onderzoek inhoudelijk niet op zorgvuldige wijze is verricht. Ten eerste is het onderzoek verricht door een advocatenkantoor, die niet gespecialiseerd is in onderzoeken naar sociale onveiligheid. In dit onderzoek zijn positieve verklaringen over werkneemster niet meegenomen, is niet ingegaan op de betrouwbaarheid van negatieve verklaringen over werkneemster en lijkt er geen rekening mee gehouden te zijn dat een aantal negatieve verklaringen mogelijk vanuit rancune zijn gegeven.

Hierdoor is de kantonrechter van mening dat de HvA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor een verstoring in de arbeidsverhouding is ontstaan die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leidt. Hij kent werkneemster een billijke vergoeding van 350.000 euro toe. Bij de hoogte van de billijke vergoeding overweegt de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst zonder het ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster vermoedelijk nog lang had geduurd gezien haar lange dienstverband bij de HvA. De kantonrechter overweegt dat zij op enig moment wel ander werk zou kunnen vinden, maar vermoedelijk tegen een langer salaris.

De kantonrechter wijst het verzoek van werkneemster tot betaling van een immateriële schadevergoeding af, omdat zij deze verder niet heeft onderbouwt. Daarnaast wordt de HvA veroordeelt tot betaling van de reguliere proceskosten.

Opmerking
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2025 illustreert een situatie waarin de werkgever onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met meldingen over grensoverschrijdend gedrag jegens de werkneemster. Dit leidde tot een hoge billijke vergoeding voor de werkneemster. De uitspraak benadrukt dat het voor een werkgever van groot belang is zorgvuldig te handelen en fouten te voorkomen, omdat een onzorgvuldig proces kan resulteren in een veroordeling tot betaling van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen.

Auteur: Justine Plat

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder