Deze uitspraak kwam voor het hof terecht nadat werknemer in beroep was gegaan omdat de kantonrechter had besloten om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden per 1 januari 2024 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zonder daarbij een billijke vergoeding toe te kennen. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of aan de werknemer een billijke vergoeding toekomt, hetzij omdat de arbeidsovereenkomst ten onrechte is ontbonden, hetzij omdat aan de werkgever een ernstig verwijt van de ontbinding is te maken. U leest de uitspraak hier.
Feiten en omstandigheden
Op 1 mei 2014 is werknemer in dienst getreden bij de Stichting tot beheer van het Museum Boerhaave, Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde (hierna: Boerhaave), laatstelijk in de functie van restaurator. In de functieomschrijving van restaurator is omschreven dat de restaurator functioneel leiding ontvangt van de senior adviseur restauratie (hierna: de SAR).
Van 6 april 2021 tot 7 maart 2022 was werknemer arbeidsongeschikt wegens ziekte. In die tijd is een nieuwe SAR aangesteld. Boerhaave en werknemer hebben na aanstelling van de nieuwe SAR meermaals gecorrespondeerd over de inhoud en invulling van de werkzaamheden van werknemer, waarbij werknemer telkens heeft aangegeven niet duidelijk te vinden wat van hem wordt verwacht terwijl Boerhaave telkens heeft aangegeven een bepaalde mate van zelfredzaamheid te verwachten van werknemer.
Op 19 december 2022 is werknemer opgeroepen voor een gesprek wegens werkweigering en het bewust niet volgen van procedures. Na dit gesprek is een mediationtraject opgestart. Op 18 april en 23 mei 2023 heeft de mediator bevestigd dat de mediationtrajecten niet tot een oplossing hebben geleid.
Boerhaave heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Boerhaave heeft hieraan ten grondslag gelegd dat na wisseling van de SAR-functie grote problemen zijn ontstaan in de houding en opstelling van werknemer waaruit is op te merken dat hij de SAR niet accepteert als leidinggevende. Volgens Boerhaave neemt werknemer de positie in dat hij niets meer zelf kan oppakken of uitvoeren zonder strikte instructies van de SAR, terwijl hij voorheen als volwaardig restaurator met eigen initiatieven opereerde. Werknemer heeft zich tegen dit verzoek verweerd en voorwaardelijk, voor zover de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, verzocht om toekenning van een transitievergoeding, toepassing van de wettelijke opzegtermijn en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst van werknemer ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). De verzoeken van werknemer zijn afgewezen. Werknemer is in hoger beroep gekomen, omdat hij het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding van €85.000,-.
Oordeel gerechtshof
Het hof oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst is bij de kantonrechter terecht ontbonden op de g-grond. Het hof stelt vast dat werknemer na zijn terugkeer vanuit arbeidsongeschiktheid te maken kreeg met aanzienlijke personele veranderingen in zijn werkomgeving. Wat hier verder ook van zij, uit de gang van zaken na de terugkeer van werknemer vanuit arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid dat zijn houding en gedrag bij Boerhaave tot vergaande en oplopende irritatie en verlies van vertrouwen hebben geleid. Dat blijkt uit meerdere incidenten met zijn leidinggevenden en uit verklaringen van zijn directe collega’s. Het beeld dat uit de correspondentie tussen werknemer en zijn leidinggevenden naar voren komt is dat van een ervaren en vakinhoudelijk goede restaurator met ruime kennis en ervaring, die desondanks geen vakinhoudelijke verantwoordelijkheid neemt. Hij wenst tot in detail instructies te ontvangen van zijn functioneel leidinggevende, plaatst voortdurend vragen bij de door de functioneel leidinggevende toegepaste werkwijze, wil zijn netwerk niet ten behoeve van zijn werkgever aanwenden en correspondeert uitgebreid met zijn leidinggevende naar aanleiding van relatief overzichtelijke opdrachten. Deze opstelling heeft er onder meer toe geleid dat werknemer bepaalde opdrachten niet (tijdig) heeft uitgevoerd.
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat op deze manier tussen partijen niet meer vruchtbaar kan worden samengewerkt. Het samenwerken met werknemer kostte zoveel tijd, ergernis en frustratie dat partijen in een vicieuze cirkel belandden. Ergernis en frustratie namen steeds toe en dat leidde uiteindelijk tot forse problemen in de uitvoering van de werkzaamheden. Vanaf 5 oktober 2022 is werknemer bovendien meermaals indringend aangesproken op zijn houding en gedrag. De spanningen tussen partijen zijn daarna niet weggenomen. Vervolgens is ook de ingezette mediation mislukt. Uit het voorgaande volgt dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord is. Nu de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden, is toekenning van een billijke vergoeding niet aan de orde. Het hof bekrachtigt zodoende de beschikking van de kantonrechter.
Auteur: Esmeralda de Jongh