Feiten
Werkneemster is met ingang van 1 februari 2020 in dienst getreden bij Wordline, laatstelijk in de functie van Global Head of Customer Delivery Management. Op 17 juni 2024 heeft werkneemster zich ziekgemeld. Volgens de huisarts en de psycholoog had werkneemster een burn-out. Op 18 november 2024 is werkneemster bij de bedrijfsarts op spreekuur geweest en de rapportage van de bedrijfsarts vermeld dat sprake is van een kwestie in de samenwerking en dat hij adviseert om spoedig met elkaar in gesprek te gaan. Op 4 en 18 november 2024 heeft Wordline per e-mail verzocht contact op te nemen in verband met de volgende stappen in de re-integratie. Werkneemster heeft geen contact met Wordline opgenomen. Op 10 februari 2025 heeft de bedrijfsarts mediation voorgesteld. Werkneemster heeft op 11 februari 2025 gesteld dat zij niet fit genoeg is voor mediation. Op 13 februari 2025 heeft de mediator een mail gestuurd aan werkneemster met het verzoek om een meeting. Op 14 februari 2025 beantwoordt werkneemster dit door aan te geven dat zij een second opinion gaat aanvragen bij het UWV. Op 17 februari heeft werkneemster Wordline verzocht om de re-integratieactiviteiten op te schorten in afwachting van het deskundigenoordeel van het UWV. Op 27 februari 2025 heeft werkneemster van Wordline een waarschuwingsbrief ontvangen, waarin Worldline aankondigt haar salarisbetaling te stoppen als werkneemster voor 5 maart 2025 geen contact opneemt met de mediator, niet meewerkt aan mediation en geen contact opneemt met haar. Werkneemster heeft hiertegen bij brief van 28 februari 2025 bezwaar gemaakt. Op 13 maart 2025 heeft werkneemster van Wordline een e-mail ontvangen met de bevestiging dat de loonbetaling is gestopt per 5 maart 2025. Op 24 april 2025 heeft het UWV een deskundigenoordeel opgemaakt naar aanleiding van de aanvraag van Wordline, dat luidt dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden heeft gehad, maar dat omdat de bedrijfsarts mediation voorstelt, zij verplicht is mee te werken. Ook om op deze manier de re-integratie vlot te trekken. Werkneemster heeft aangegeven mee te willen werken aan mediation en de loonbetaling is met terugwerkende kracht met ingang van 13 mei 2025 hervat. Bij brief van 27 juni 2025 heeft de gemachtigde van werkneemster Wordline gesommeerd om het achterstallig loon tot 13 mei 2025 inclusief de wettelijke verhoging te betalen. Wordline is niet tot betaling overgegaan. Werkneemster vordert de betaling van het achterstallig loon.
Oordeel
De vraag die hier centraal staat is of het verzoek van Wordline aan werkneemster om contact op te nemen met de mediator, mee te werken aan (het opstarten van) mediation en contact houden met werkneemster is aan te merken als een redelijk voorschrift, of het voorschrift gegeven de aard van de arbeidsongeschiktheid en de stand van zaken in de re-integratie gepast is en aannemelijk is dat (het resultaat van) het voorschrift de re-integratie zal bevorderen. De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van Wordline redelijk is. Mediation is erop gericht conflicten uit te praten onder leiding van een onpartijdige en onafhankelijke derde. In het geval van werkneemster is haar leidinggevende de persoon met wie zij (kennelijk) een conflict voelde en dat moet uitpraten. De oplossing van het conflict – zo blijkt uit de adviezen van de bedrijfsartsen het deskundigenoordeel – was nodig voor de re-integratie van werkneemster in eigen werk. Van werkneemster mocht verwacht worden dat zij hieraan zou meewerken. De bedrijfsarts heeft evenwel geconcludeerd dat werkneemster in staat was om mee te werken aan mediation, zodat hiervan moet worden uitgegaan. Werkneemster heeft vervolgens aan de waarschuwingsbrief van Wordline, waarin wordt verzocht om voor 5 maart 2025 contact op te nemen met de mediator, geen gevolg gegeven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is onvoldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat Wordline ten onrechte de loondoorbetaling gestaakt heeft. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Beschouwing
Kortom, wanneer een bedrijfsarts mediation adviseert en de werkgever onder redelijke voorwaarden samen met de werknemer een mediator kiest, mag van de werknemer worden verwacht dat zij mee werkt aan de mediation. Wanneer de werknemer zonder geldige reden weigert, kan dit als een redelijke grond gelden voor het stopzetten van het loon en – bij structurele weigering – kan het zelfs leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (zie uitspraak).
U leest de uitspraak hier.
Auteur: Esmeralda de Jongh