Deze vraag heeft de rechtbank Breda moeten beantwoorden in de uitspraak van 9 juli 2026.
Feiten en omstandigheden
Werknemer is sinds 2007 als inrichtingsbeveiliger werkzaam bij een Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) van DJI. Op 9 april 2026 heeft werknemer samen met drie collega’s een aantal jeugdigen uit het klaslokaal moeten halen omdat de sfeer in de klas niet goed was. Voor de deur van de slaapkamer en in de slaapkamer van de jongere heeft zich een incident voorgedaan waarbij de jongere letsel heeft opgelopen. Werknemer en zijn collega’s hebben na het incident een rapportage opgesteld, net als de jongere. De volgende dag heeft de jongere aangifte gedaan bij de politie van zware mishandeling c.q. eenvoudige mishandeling. De jongere heeft verklaard dat werknemer hem heeft geslagen. Op 10 april 2026 is werknemer gebeld door het Hoofd Veiligheid met de mededeling dat hij is geschorst naar aanleiding van het incident met de jongere vanwege een vermoeden van integriteitschending en dat er een onderzoek door Bureau Integriteit (BI).
Op 16 juni 2025 is werknemer gehoord door BI. Ook de betrokken collega’s en andere getuigen zin gehoord door BI. Bovendien heeft er een toedrachtsonderzoek door een forensisch arts plaatsgevonden.
BI heeft het onderzoek op 30 oktober 2025 afgerond. BI is tot de conclusie gekomen dat op basis van de vergelijking tussen de verklaringen van de getuigen, de betrokkene(n), de camerabeelden en de bevindingen uit het toedrachtsonderzoek door de forensisch arts, geen volledig eenduidig beeld ontstaat van het incident op 9 april 2025. Wel kan worden vastgesteld dat één van de verklaringen in de grootste mate aansluit bij de bevindingen van de forensisch arts en een plausibele verklaring biedt voor het gehele geconstateerde letselbeeld bij de jongere. Hoewel ook deze verklaring enkele discrepanties bevat, is dit de enige verklaring die in medisch-forensische zin consistent is met het door de deskundige vastgestelde letsels. Dit betreft de verklaring van de jongere.
Werknemer is bij brief van 6 november 2025 uitgenodigd om het rapport op 25 november 2026 te bespreken. Tijdens het gesprek van 25 november 2026 is gezegd dat de procedure naar de kantonrechter zal worden gestart om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Werknemer heeft op 2 december 2025 een brief gekregen van de officier van justitie dat hij naar aanleiding van de aangifte van de jongeren niet zal worden vervolgd vanwege onvoldoende bewijs.
DJI verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond, dan wel de g-grond.
Oordeel kantonrechter
DJI maakt de werknemer drie verwijten: (1) werknemer heeft zonder waarschuwing niet gepast geweld gebruikt tegen de jongere, (2) werknemer heeft zich escalerend gedragen richting de jongere en (3) werknemer heeft niet naar waarheid verklaard over zijn handelen.
Verwijt 1
De kantonrechter oordeelt dat op geen enkele manier blijkt dat werknemer de jongere een elleboog of vuistslag in het gezicht heeft gegeven. In het kader van het onderzoek door BI zijn alle betrokkenen gehoord. Geen van de betrokkenen heeft verklaard dat werknemer de jongere een elleboog of vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Ook werknemer heeft consistent verklaard dat hij de jongere niet heeft geslagen. Ook BI heeft na uitvoerig en langdurig onderzoek niet kunnen vaststellen dat werknemer de jongere heeft geslagen. Alleen de jongere zelf heeft verklaard dat werknemer hem een elleboog tegen zijn slaap heeft gegeven. De kantonrechter heeft ook zelf kunnen constateren dat op de beelden niet te zien is dat werknemer de jongere een elleboog tegen zijn slaap geeft, of zelfs maar een beweging maakt die daarop lijkt. Het enkele feit dat de jongere zelf spreekt over een elleboog tegen de slaap door werknemer, maakt dan ook niet dat dit zelfs maar aannemelijk wordt (laat staan vast komt te staan). De kantonrechter acht ook van groot belang dat het Openbaar Ministerie werknemer niet strafrechtelijk heeft vervolgd, maar heeft geconcludeerd dat een sepot op zijn plaats is.
Verwijt 2
De kantonrechter oordeelt dat het te dicht op de jongere lopen bij de trap en het voorop lopen, ook als werknemer zich ten tijde van het lopen bewust was van de ‘rode lap’ die hij kennelijk voor de jongere vormde, onvoldoende reden is om een verwijt in de zin van de e-grond aan werknemer te maken. DJI heeft ook toegelicht tijdens de zitting dat het handelen bij de trap moet worden beschouwd in het geheel. Van het geheel maakt uit het optreden van werknemer bij de kamer van de jongere. Van het toepassen van niet gepast geweld is zoals hiervoor geoordeeld geen sprake. Blijft over het naar de jongere toelopen toen bleek dat deze niet luisterde naar de instructies van de collega. DJI heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat daar geen noodzaak toe lijkt te bestaan. DJI heeft niet, althans onvoldoende toegelicht waarom het helpen van een collega juist niet van werknemer verwacht mocht worden in de gegeven omstandigheden. DJI spreekt op basis van de camerabeelden van intimidatie. Naar het oordeel van de kantonrechter past deze kwalificatie niet bij hetgeen op de beelden te zien is, mede gelet op de gemotiveerde weerlegging door werknemer.
Verwijt 3
De kantonrechter constateert dat geen van de betrokkenen geheel in lijn met de camerabeelden heeft verklaard. De verklaringen van diverse collega’s, de jongere en werknemer bevatten inconsistenties. Met haar stelling dat werknemer (dus) heeft gelogen, miskent DJI de beperkingen die het menselijk geheugen van nature heeft. Er kan niet worden geconcludeerd dat werknemer bewust de waarheid niet heeft verteld. Bovendien werpt werknemer terecht de vraag op wat de waarheid is. DJI lijkt uit te gaan van een waarheid waarin werknemer de jongere een elleboog heeft gegeven of anderszins met geweld letsel heeft toegebracht, maar zoals uit het voorgaande blijkt maakt DJI dit ten onrechte tot waarheid. DJI heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer de waarheid niet heeft gesproken, door feitelijk enkel te verwijzen naar hetgeen BI als aannemelijke conclusie presenteert in haar rapport. DJI maakt die conclusie zonder nadere motivering tot de hare.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat de verwijten geen standhouden en wijst de ontbinding op de e-grond af. Ook de ontbinding op de g-grond wordt afgewezen. Gelet op al hetgeen zich sinds het incident van 9 april 2025 heeft voorgedaan is het aannemelijk dat er sprake is van een wederzijdse verstoring, maar deze verstoring is niet geprobeerd te herstellen. Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat de gestelde verstoorde arbeidsrelatie niet bestaat op de werkvloer. Er waren vele collega’s van werknemer aanwezig, waarbij duidelijk was dat zij waren gekomen om werknemer te steunen en dat zij uitkeken naar de terugkeer van werknemer op de werkvloer. De ontbinding op de g-grond wordt ook afgewezen.
Heeft u vragen over bovengenoemde uitspraak? Neem dan gerust contact met mij op.
Auteur: Emma Eijkelenboom