In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2026 stond de vraag centraal of de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Of was er sprake van een noodkreet?
Feiten
Werknemer is op 1 december 2024 in dienst getreden bij ISS Catering Services B.V. (hierna: ISS) als medewerker bediening. Op 15 oktober 2025 heeft werknemer bij thuiskomst na zijn werkdag om 00:33 uur een e-mail aan zijn leidinggevende gestuurd met de volgende mededeling:
“Hierbij wil ik je informeren dat ik voornemens ben om mijn arbeidsovereenkomst te beëindigen per 30 december 2025. Conform de contractuele opzegtermijn van één maand doe ik dit tijdig en zelfs eerder dan vereist. Hoewel mijn huidige contract loopt tot 31 juli 2026, heb ik om persoonlijke redenen besloten om mijn dienstverband aan het einde van dit jaar af te ronden. Ik verzoek je vriendelijk om de bevestiging van mijn beëindiging en de verdere administratieve stappen.
(…)
Tijdens mijn dienstverband heb ik meerdere malen verschillen geconstateerd tussen mijn feitelijke werkzaamheden en de registratie in het systeem.
Voor een correcte en transparante afhandeling zou ik graag een officieel en volledig overzicht willen ontvangen over de periode van 1 december 2025 t/m 31 december 2025 , (…)
Er is geen enkel probleem of wrok tussen ons, maar ik moet – en ben genoodzaakt – mijn contract te beëindigen. Ik hoop dat je mij begrijpt.”
Vervolgens heeft werknemer zich op 20 november 2025 ziek gemeld. ISS heeft de opzegging van werknemer op 17 december 2025 bevestigd. Op 19 december 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen werknemer en de verzuimmanager van de arbodienst. De verzuimmanager heeft aan ISS teruggekoppeld dat uit het gesprek bleek dat werknemer ontstemd is ‘over de situatie op het werk op het gebied van arbeidstijden’. Werknemer is volgens de verzuimmanager inmiddels hersteld en zal op 22 december 2025 zijn werkzaamheden hervatten. Vervolgens heeft werknemer zich op 21 en 29 december 2025 weer ziekgemeld.
Werknemer verzoekt de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werknemer de arbeidsovereenkomst niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. ISS mocht hier niet op vertrouwen.
Werknemer heeft na zijn werkdag om 00.33 uur een e-mail aan zijn leidinggevende gestuurd. Gelet op de omstandigheden voorafgaande aan de e-mail van 15 oktober 2025 die grotendeels niet zijn betwist, zoals (a) de hoge en als maar toenemende werkdruk, (b) de vele overuren, (c) het gebrek aan pauzes, (d) het beroep dat steeds op werknemer werd gedaan om toegekende verlofdagen in te leveren en toch te komen werken vanwege personeelstekort, (e) de omstandigheid dat werknemer de enige medewerker bediening was en (f) de mededeling dat er geen extra medewerker zou worden aangenomen, had ISS moeten begrijpen dat deze e-mail van werknemer vooral een noodkreet was. Bovendien is werknemer de Nederlandse taal niet machtig en heeft hij de e-mail vertaald met Google Translate of een soortgelijk instrument, waardoor niet vaststaat dat de inhoud en de strekking van de e-mail volledig duidelijk was voor werknemer. Onder deze omstandigheden mocht ISS niet zonder meer aannemen dat werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen, maar rustte op ISS de plicht om dat nader te onderzoeken. Niet gesteld of gebleken is dat ISS bij werknemer heeft geverifieerd of hij daadwerkelijk de bedoeling had de arbeidsovereenkomst op te zeggen en of hij besefte wat de gevolgen van een eenzijdige opzegging, zoals het gemis van een WW-uitkering, voor hem zouden zijn. De stelling van werknemer dat de e-mail van ISS van 17 december 2025 een opzegging door ISS betreft, wordt niet gevolgd, nu in die e-mail uitsluitend de door werknemer gestelde opzegging wordt bevestigd.
De arbeidsovereenkomst is door het ontbreken van een rechtsgeldige opzegging niet geëindigd. ISS moet het loon van de werknemer doorbetalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente.
Auteur: Emma Eijkelenboom