Het ontslag van de bestuurder komt het Fotomuseum duur te staan: billijke vergoeding van €400.000,- bruto.

Emma Eijkelenboom

In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam 29 juni 2026 stond de vraag centraal of de directeur-bestuurder (hierna: de bestuurder) van Stichting Nederlands Fotomuseum (hierna: de werkgever) op 18 juli 2025 op terechte gronden is ontslagen en/of de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wat was er aan de hand?

De bestuurder werkte sinds 15 november 2018 bij de werkgever. In april/mei 2024 vernam de bestuurder dat de Volkskrant bezig was met een onderzoek naar de werksfeer bij werkgever. In overleg met de RvT is een statement en Q&A-lijst voor medewerkers opgesteld. In september 2024 kreeg de RvT signalen dat de Volkskrant bezig was met een artikel. Op initiatief van de RvT is vervolgens een Cultuuronderzoek uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau (Kroll). In mei 2025 ontving de bestuurder een concept artikel van de Volkskrant, waarin zij werd beschuldigd van narcisme, toxisch management en schrikbewind. De bestuurder heeft dit concept doorgestuurd aan de RvT, personeelsvertegenwoordiging (hierna: PVT) en het managementteam (hierna: MT). De bestuurder heeft aan de Volkskrant een reactie gestuurd op het concept. De RvT stuurde ook een reactie aan de Volkskrant. Daarin werd steun aan de bestuurder uitgesproken.

Op 19 juni 2025 is de bestuurder per direct geschorst vanwege informatie die vanuit de organisatie is ontvangen over haar functioneren. Om wat voor informatie het ging, is niet met de bestuurder gedeeld. Er werd een intern onderzoek aangekondigd. De bestuurder had geen toegang meer tot haar mailbox. De bestuurder is vervolgens uitgenodigd voor een RvT-vergadering op 18 juli 2025 met als agendapunt haar voorgenomen ontslag. Na de schorsing heeft de RvT het statement met de steun aan de bestuurder ingetrokken. De bestuurder heeft direct geprotesteerd tegen de schorsing en gevraagd om en nadere toelichting en toegang tot haar mailbox.  Op 26 juni 2025 heeft de Volkskrant gepubliceerd over de schorsing van de bestuurder. Op 1 juli 2025 verscheen in de Volkskrant een uitgebreid artikel over de bestuurder. Op 3 juli 2025 vond er een hoorgesprek plaats.  Op 11 juli 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat het voorgenomen ontslag in stand bleef. De bestuurder ontving de conclusies van het onderzoek, een brief met daarin de redenen voor het voorgenomen ontslag en een agenda voor de vergadering op 18 juli 2025. Op 14 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op het onderzoek van de RvT. Zij heeft gevraagd om de Whatsapp berichten en de managementrapportages van 2024 en 2025 waarnaar de RvT verwees. Zij vroeg ook opnieuw om toegang tot haar mailbox. De RvT heeft alleen de managementrapportages verstrekt en geweigerd om de andere gevraagde informatie aan de bestuurder te verstrekken. De bestuurder kreeg ook geen toegang tot haar mailbox. Op 16 juli 2025 heeft de bestuurder aanvullende stukken gestuurd aan de RvB. Op 17 juli 2025 ontving de bestuurder een aangepast onderzoeksrapport. Daarop heeft de bestuurder diezelfde dag nog gereageerd. Op 18 juli 2025 is de bestuurder tijdens de RvT vergadering ontslagen als bestuurder. Op 19 juli 2025 om 06.00 uur heeft de RvT op haar website een statement over het ontslag van de bestuurder geplaatst. Na het ontslag van de bestuurder, in september 2025, heeft de RvT door extern onderzoeksbureau Unravelling een onderzoek laten uitvoeren naar de cultuur binnen de organisatie.

Wat oordeelt de kantonrechter?

De RvT verwijt de bestuurder dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur, veroorzaakt door de leiderschapsstijl van de bestuurder. Daarnaast zou de bestuurder de RvT niet voldoende of onjuist hebben geïnformeerd over sociale onveiligheid en personeelsverloop, waardoor de RvT zijn toezichthoudende taak onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Ook zou er sprake zijn van een verstoorde arbeidsrelatie. De RvT is van mening dat de omstandigheden zodanig zijn dat van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst met de bestuurder te beëindigen.

Allereerst staat niet vast dat er sprake was van sociale onveiligheid en cultuurproblemen door het leiderschap van de bestuurder. Bij sommige medewerkers en oud-medewerkers was er de nodige weerstand tegen de bestuurder. Dit had te maken met de opdracht die zij in 2018 bij haar aantreden van de RvT kreeg, namelijk de organisatie weer op de rails krijgen. De bestuurder heeft verschillende maatregelen getroffen en veranderingen doorgevoerd in de organisatie. Daar stond niet iedereen voor open en zij werd tegengewerkt. Dit is bevestigd in het onderzoeksrapport van Berenschot uit 2020, waarmee de RvT bekend is. De bestuurder heeft allerlei organisatorische veranderingen doorgevoerd, zoals het instellen van een externe vertrouwenspersoon, een gedragscode, een klokkenluidersregeling, het aanstellen van een HR-medewerker en het invoeren van drie functioneringsgesprekken per jaar en het organiseren van teamuitjes. Daarmee is door de bestuurder een forse verbeterslag gemaakt op het gebied van professionalisering van de organisatie. Volgens de bestuurder was de RvT op de hoogte van alle veranderingen die zij heeft doorgevoerd en was de RvT in zijn jaarlijkse verslagen altijd zeer lovend over de verrichtingen van de bestuurder en haar team. Er is niet gebleken dat er zorgelijke signalen waren over het leiderschap van bestuurder of een angstcultuur in de organisatie. In de afgelopen jaren zijn er zes externe onderzoeken uitgevoerd binnen de organisatie en dat daar niets uit is gekomen wat wijst op sociale onveiligheid of problemen in de cultuur die de beschuldigingen van de RvT ondersteunen. De RvT heeft dit niet weersproken. De RvT trekt de betrouwbaarheid van die onderzoeken in twijfel, omdat zij meent dat de bestuurder die uitkomsten zou hebben beïnvloed. Die beschuldiging is onterecht. Uit signalen van de PVT blijkt evenmin dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur. De RvT onderbouwt de gestelde sociale onveiligheid en angstcultuur verder met zijn eigen onderzoek en een onderzoek door Unravelling. Uit het eigen onderzoek zijn volgens de RvT signalen gekomen dat er al lange tijd iets mis lijkt met de cultuur. Volgens de RvT worden die uitkomsten bevestigd door het in september 2025 uitgevoerde cultuuronderzoek door extern onderzoeksbureau Unravelling. De rechter is het met de bestuurder eens dat beide onderzoeken onvoldoende objectief zijn en onvoldoende met feiten onderbouwd zijn. Daarom leveren zij geen deugdelijke onderbouwing op voor de gestelde ontslagredenen en de verwijten die de RvT aan de bestuurder maakt.

Ook is niet gebleken dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft ingelicht. Daartoe heeft de RvT verschillende voorbeelden genoemd, maar deze voorbeelden zijn niet vast komen te staan.

Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van een duurzaam verstoorde verhouding. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van een onwerkbare situatie tussen de bestuurder en het MT en andere belangrijke sleutelpersonen, is de kantonrechter van oordeel dat de RvT geen enkele poging heeft gedaan om hiervoor een oplossing te zoeken, anders dan tot ontslag over te gaan. De kantonrechter komt tot de conclusie dat voor zover de RvT kritiek of zorgen had over het leiderschap van de bestuurder of de informatie die zij verstrekte, dit nog geen rechtvaardiging is om de bestuurder te ontslaan en haar te behandelen zoals de RvT dat heeft gedaan. Van de RvT had verwacht mogen worden om over hun zorgen met de bestuurder in gesprek te gaan en zo nodig duidelijke afspraken te maken om tot verbetering te komen. Hiernaast mocht van de RvT ook worden verwacht dat hij zich zou inspannen om de gestelde verstoorde relatie te herstellen. Dit alles is niet gebeurd. De arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder redelijke grond voor ontslag. De werkgever moet daarom een billijke vergoeding van €400.000,- bruto betalen. Bij het bepalen van dit bedrag weegt onder andere mee dat de RvT zeer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens de bestuurder  rondom de schorsing, de onderzoeken en het ontslag en heeft steeds veel te weinig oog gehad voor de belangen van de bestuurder. Het valt de RvT ernstig aan te rekenen dat zij de bestuurder abrupt heeft geschorst, zonder eerst in gesprek te gaan en zonder een toelichting te geven over de redenen voor de schorsing. De bestuurder moest direct haar sleutels inleveren, mocht niet meer in het museum komen en geen contact hebben met medewerkers. Erg kwalijk is ook dat aan de bestuurder de toegang tot haar mail is ontzegd, en geweigerd is om haar op een later moment nog toegang tot haar mail te geven, zodat zij zich niet behoorlijk kon verdedigen tegen de forse beschuldigingen. De RvT heeft de bestuurder ook naar buiten toe als een baksteen laten vallen. De RvT heeft direct de Volkskrant geïnformeerd over de schorsing en het statement waarin de RvT eerder steun uitsprak aan de bestuurder, bij de Volkskrant “ingetrokken”. Vooruitlopend op de uitkomsten van het eigen onderzoek heeft de RvT de bestuurder al geïnformeerd dat haar voorgenomen ontslag op 18 juli 2025 op de agenda stond. Dat doet vermoeden dat voor de RvT de uitkomst van het onderzoek al vaststond, zoals de bestuurder ook stelt. Dat de RvT het onderzoek dat leidde tot het ontslag van de bestuurder zelf heeft gedaan en niet een extern bureau hiervoor heeft ingeschakeld, en de wijze waarop dit onderzoek door de RvT is uitgevoerd, was onzorgvuldig, onpartijdig en onvoldoende objectief. De bestuurder heeft ondanks herhaald verzoek geen toegang gekregen tot haar mail en kreeg ook geen nadere uitleg over de beschuldigingen. Vervolgens is zij in een drie uur durend gesprek ondervraagd. Hoewel de bestuurder de gemaakte verwijten vervolgens grotendeels met stukken heeft kunnen weerleggen, heeft de RvT de bestuurder op 18 juli 2025 toch ontslagen. Kennelijk heeft de RvT hoe dan ook niet willen wijken van de op 19 juni 2025 ingezette ramkoers. De rechter sluit niet uit dat het vernietigende artikel in de Volkskrant daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld en voor de RvT reden was om de bestuurder ‘voor de bus te gooien’. Bij dit alles heeft de RvT onvoldoende rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het ontslag voor de bestuurder, ook door de vele negatieve publiciteit. En er was geen redelijke ontslaggrond. 

Auteur: Emma Eijkelenboom

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder