Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft uitspraak gedaan in een geschil over het ontslag van een docente bij een middelbare school in Gelderland. Het hof acht het ontslag op staande voet gerechtvaardigd, nu de docente heeft verzuimd een relatie tussen haar dochter en een collega-docent te melden. Waar de kantonrechter eerder oordeelde dat het ontslag onterecht was en vergoedingen toekende, bepaalt het hof nu dat deze bedragen door de docente moeten worden terugbetaald.
Feiten en omstandigheden
Werkneemster is sinds 7 februari 2000 in dienst bij Quadraam in de functie van docent. Haar kinderen waren in de periode dat werkneemster er werkte leerlingen op de school. Werkneemster had sinds 2017/2018 een relatie met collega-docent, de heer X. Geen van beiden heeft dit aan de school gemeld. In haar laatste schooljaar (2023/2024), kampte de dochter van werkneemster met ernstige psychische problemen. In maart 2024 heeft de dochter aan werkneemster verteld dat zij een (seksuele) relatie had met de heer X, waarop werkneemster aan de dochter heeft verteld dat ook zij een (seksuele) relatie had met de heer. Werkneemster heeft de relatie met de heer X direct verbroken en ook de relatie tussen de dochter en de heer X werd (voor zover bekend) beëindigd. Werkneemster heeft dit alles niet aan de school gemeld. De dochter is in juni 2024 geslaagd voor haar eindexamen en meerderjarig geworden.
Op maandagochtend 10 maart 2025 heeft de heer X tijdens een gesprek met de schoolleiding verteld dat hij een relatie had met de dochter (vanaf december 2023 tot in maart 2024, voortgezet na het voorjaar van 2024) en dat hij eerder een relatie had gehad met werkneemster. Naar aanleiding hiervan is de heer X op 11 maart 2025 op staande voet ontslagen.
Op maandagochtend 17 maart 2025 heeft een gesprek tussen werkneemster en de schoolleiding plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft zij bevestigd dat zij sinds maart 2024 op de hoogte was van de (seksuele) relatie tussen de heer X en de dochter, maar dat zij aannam dat die relatie toen meteen was beëindigd. Tevens heeft zij erkend zelf een jarenlange relatie met de heer X te hebben gehad. Quadraam heeft werkneemster naar aanleiding van dit gesprek diezelfde dag op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende. Werkneemster had de relatie van de heer X met haar (toen nog minderjarige) dochter (en leerling van de school) direct moeten melden. Dit handelen en nalaten is volledig in strijd met de toepasselijke omgangs- en integriteitsregels. Daarmee heeft werkneemster een onveilige omgeving voor deze (en overige) leerlingen in stand gelaten. Ook wordt werkneemster verweten dat zij heeft nagelaten haar eigen relatie met de heer X te melden. Werkneemster heeft berust in het ontslag en is inmiddels als docent werkzaam bij een andere school.
Oordeel
Volgens Quadraam was er sprake van een dringende reden, omdat van werkneemster als docent mag worden verwacht dat zij, zodra zij ermee bekend raakt dat er sprake is/was van een (seksuele) relatie tussen een minderjarige leerling en een collega, dit direct meldt aan de school. Dat geldt ook als de docent de moeder is van de leerling. Het gaat hierbij om het grote belang van het waarborgen van een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, dat de individuele belangen en omstandigheden van werkneemster en haar gezin overstijgt. Nu zij een jaar heeft gewacht voordat zij in actie kwam en het vervolgens aan die collega (met wie zij zelf ook een niet-gemelde relatie had gehad) heeft overgelaten om zelf melding te doen van zijn grensoverschrijdende relatie, kon van de school redelijkerwijs niet worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met werkneemster te laten voortduren. Werkneemster erkent dat er in het algemeen een meldplicht geldt, maar voert aan dat er in dit geval sprake was van zodanig bijzondere situatie dat van haar niet kon worden verwacht dat zij eerder handelde dan zij heeft gedaan. Volgens werkneemster bevond haar dochter zich in een uiterst kwetsbare en zorgelijke toestand, waarin het risico op suïcide moest worden afgewend.
De kantonrechter heeft werkneemster hierin gevolgd, omdat werkneemster zich niet alleen als docent maar ook als moeder in een zodanig bijzondere situatie bevond dat het belang van de meldplicht in dit geval mocht wijken voor het belang van de dochter. Daarbij is meegewogen dat werkneemster in maart 2025 alsnog ervoor heeft gezorgd dat de kwestie onder de aandacht van de schoolleiding kwam. Tegen dat oordeel van de kantonrechter komt Quadraam op in hoger beroep.
Uit de regelgeving volgt onmiskenbaar dat in maart 2024 voor werkneemster als werknemer/personeelslid van Quadraam de plicht gold om direct bij het bevoegd gezag (de schoolleiding) melding te doen van de seksuele relatie tussen de dochter, toen nog minderjarig en leerling van de school, en de heer X, docent van de school.
Het hof stelt voorop dat uit de wet- en regelgeving, en meer in het bijzonder de wijzigingen in titel XIV WvSr met ingang van 1 juli 2024, duidelijk blijkt dat veel gewicht en belang is toegekend aan de meldplicht, ter voorkoming van seksuele misdrijven met minderjarige leerlingen, gepleegd door een docent. Voor Quadraam is, met het oog op haar plicht tot het waarborgen van een veilige leeromgeving op de school, (het handhaven van) deze meldplicht dan ook terecht van het grootste belang. Van een te rechtvaardigen uitzondering op die meldplicht zal, gelet op de veiligheid van de minderjarige kinderen die voor hun opleiding aan de school zijn toevertrouwd, slechts in uitzonderlijke (overmacht)situaties sprake kunnen zijn. Voor een dergelijke uitzondering is in elk geval op zichzelf onvoldoende dat de minderjarige leerling om wie het gaat een kind is van de medewerker die op de hoogte is geraakt van de seksuele relatie tussen die leerling en een docent. Ook het hebben van een eigen affectieve relatie met de betreffende docent maakt niet dat aan de meldplicht voorbij kan worden gegaan, in tegendeel. Dit betreft immers omstandigheden die te maken hebben met keuzes van die medewerker (eigen kind naar de school laten gaan waar men werkt, een relatie op het werk aangaan), waarbij in algemene zin de dilemma’s die deze keuzes teweegbrengen niet zwaarder mogen wegen dan de belangen die met de meldplicht worden gediend.
De vraag is of van werkneemster in de omstandigheden van dit geval had kunnen en mogen worden verlangd dat zij in maart 2024, direct nadat de dochter aan haar had verteld over haar relatie met de heer X, of in elk geval eerder dan in maart 2025, daarvan melding maakte bij Quadraam. De kantonrechter heeft geoordeeld van niet, vanwege feiten en omstandigheden die werkneemster als moeder betroffen. Naar het oordeel van het hof blijkt dat in maart 2024 sprake is geweest van een crisissituatie met de dochter. Voorstelbaar is dat werkneemster in de meest acute fase van die crisis volledig in beslag werd genomen door de zorg voor de dochter en dat het daardoor voor haar tijdelijk niet of nauwelijks mogelijk was om aan de meldplicht te voldoen. Anders dan werkneemster betoogt, is echter niet gebleken dat deze fase van zo’n lange duur was dat werkneemster eerst in maart 2025 in staat was helder te denken en zich gewaar te worden van haar verantwoordelijkheid jegens de school en de andere leerlingen. Weliswaar blijkt uit de door werkneemster overgelegde stukken dat de dochter een half jaar na de crisis van maart 2024 nog steeds thuis verbleef, dat het niet goed met haar ging en dat de hulp niet goed op gang kwam, maar van een aanhoudende, acute noodsituatie blijkt uit die gegevens onvoldoende.
Het hof ziet in dit alles reden om aan te nemen dat de niet-gemelde, langdurige relatie die werkneemster zelf met de heer X heeft gehad (en mogelijk ook de wens om deze niet te laten uitkomen) waarschijnlijk vertroebelend heeft gewerkt in haar afwegingen en oordeelsvorming, ten nadele van de veiligheid van de leerlingen van de school. Op grond van al het voorgaande is de conclusie van het hof dat werkneemster de relatie tussen de heer X en de dochter (eerder) had kunnen en moeten melden. Zij heeft te lang gewacht voordat zij overging tot handelen, waarbij zij het doen van de melding zelf overigens ten onrechte aan de heer X zelf heeft overgelaten.
Nu het hof oordeelt dat werkneemster niet heeft voldaan aan de meldplicht, door niet bij Quadraam te melden dat een docent een seksuele relatie met een minderjarige leerling had, is de volgende vraag of dit een dringende reden oplevert. Het hof vindt deze gedraging zodanig ernstig, dat deze een dringende reden oplevert die maakt dat van Quadraam in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, waaronder ook de persoonlijke omstandigheden van werkneemster en haar lange en goede staat van dienst bij Quadraam. Uit het voorgaande volgt dat beroep van Quadraam slaagt en het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven geen standhoudt.
U leest de uitspraak hier.
Auteur: Esmeralda de Jongh