Trainer verrichtte werkzaamheden op basis van vrijwilligersvergoedingen. Geen sprake van een arbeidsovereenkomst wegens ontbreken van elementen van gezag en loon

Esmeralda de Jongh

Feiten en omstandigheden
Werknemer is per 1 augustus 2015 op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van tien maanden in dienst getreden bij werkgever, in de functie van trainer/coach, tegen een salaris van €450 netto per maand. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze van rechtswege zou eindigen op 31 mei 2016, met de intentie van partijen om nadien een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan. In een e-mail van 18 augustus 2022 heeft de voorzitter van werkgever aan werknemer meegedeeld dat hij voor het seizoen 2022-2023 een maximale vrijwilligersvergoeding van € 1.800 zou ontvangen, uit te betalen in maandelijkse termijnen. Werknemer heeft daarop per e-mail van 20 augustus 2022 gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat zijn werkzaamheden en verantwoordelijkheden niet passen bij de maximale vrijwilligersvergoeding. Op 15 november 2022 hebben partijen een document ondertekend waarin afspraken zijn vastgelegd over betalingen aan werknemer voor het seizoen 2022-2023 en een nabetaling over het seizoen 2021-2022. In de periode 2020 tot en met 2023 heeft werkgever diverse bedragen aan werknemer betaald; in 2024 en 2025 zijn geen betalingen verricht. In september 2024 hebben partijen opnieuw contact gehad over het verrichten van trainerswerkzaamheden. Werkgever heeft daarbij gesproken over een (maximale) vrijwilligersvergoeding, terwijl werknemer zich op het standpunt stelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Werkgever heeft dit uitdrukkelijk betwist en aangegeven dat er volgens hem geen arbeidsovereenkomst bestond. Werknemer verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever, dan wel wegens tekortkoming in de nakoming, en werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Partijen twisten over de vraag of tussen hen na 31 mei 2016 (nog steeds) sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst dan wel van een vrijwilligersrelatie.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter oordeelt als volgt.

Arbeidsovereenkomst na 2016

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst die partijen op 1 augustus 2015 zijn aangegaan, van rechtswege is geëindigd op 31 mei 2016 en niet stilzwijgend is verlengd. Dat werknemer na die datum incidenteel trainingen heeft verzorgd, is onvoldoende om te concluderen dat hij zijn werkzaamheden structureel en in opdracht van gedaagde heeft voortgezet. Ook het ontbreken van een schriftelijke aanzegging leidt niet tot voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Het feit dat werknemer na mei 2016 geen loon en loonstroken meer heeft ontvangen en daartegen destijds niet heeft geprotesteerd, bevestigt dat het dienstverband is geëindigd. Daar komt nog bij dat op de laatste loonstrook van werknemer van mei 2016, ‘datum uit dienst 31-5-2016’ wordt vermeld.

Werkzaamheden vanaf seizoen 2018/2019

Ten aanzien van de werkzaamheden vanaf het seizoen 2018/2019 stelt de kantonrechter vast dat partijen zijn overeengekomen dat werknemer trainings- en coachingswerkzaamheden zou verrichten tegen betaling van een vergoeding. Deze werkzaamheden kwalificeren wel als persoonlijk te verrichten arbeid in de zin van artikel 7:610 BW, maar er is geen sprake van een gezagsverhouding. Werknemer had vrijheid bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en er was geen hiërarchische aansturing of toezicht door werkgever. Daarnaast is er volgens de kantonrechter geen sprake van loon in de zin van artikel 7:610 BW. De door werknemer ontvangen vergoedingen bleven binnen de fiscale normen van vrijwilligersvergoedingen, partijen spraken steeds expliciet over vrijwilligers- of trainersvergoedingen en werknemer heeft zelf meerdere seizoenen aangegeven vrijwillig te hebben gewerkt. Voor het eerst in september 2024 heeft werknemer het standpunt ingenomen dat er sprake zou zijn van loon. Gelet op alle omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat partijen een loonbetalingsverplichting zijn overeengekomen. Partijen lijken dat simpelweg ook niet voor ogen te hebben gehad.

Omdat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, worden het verzoek tot ontbinding en de verzoeken tot betaling van een transitievergoeding, billijke vergoeding en achterstallig loon afgewezen.

Beschouwing
In een recente uitspraak heeft de kantonrechter opnieuw bevestigd dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie afhankelijk is van onder meer de feiten en omstandigheden. In deze zaak stond de vraag centraal of een trainer, die na afloop van een formele arbeidsovereenkomst werkzaamheden bleef verrichten tegen een (beperkte) vergoeding, kon worden aangemerkt als werknemer of als vrijwilliger.

De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst was duidelijk: deze eindigde van rechtswege in 2016. Doorslaggevend was vervolgens dat partijen daarna geen loonbetalingen meer verrichtten zoals gebruikelijk in een dienstverband, geen loonstroken werden verstrekt en ook geen protest volgde vanuit de trainer. Dat hij nadien incidenteel werkzaamheden verrichtte, leidde volgens de kantonrechter niet tot een stilzwijgende verlenging van het dienstverband.

Voor de latere periode keek de rechter – conform vaste rechtspraak – niet naar de benaming die partijen aan hun relatie gaven, maar naar de inhoud daarvan. Hoewel sprake was van persoonlijke arbeid, ontbraken twee andere essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst: gezag en loon. De trainer had aanzienlijke vrijheid bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en werd niet hiërarchisch aangestuurd. Daarnaast bleef de vergoeding binnen de grenzen van de fiscale vrijwilligersregeling en spraken partijen zelf consequent over vrijwilligers- of trainersvergoedingen. Dat de trainer pas jaren later stelde dat sprake was van loon, maakte dit niet anders.

Deze uitspraak onderstreept de juridische kwetsbaarheid bij het aangaan van overeenkomsten met (onder meer) vrijwilligers. Zodra feitelijk sprake is van gezag en een reële loonbetalingsverplichting, kan de balans alsnog doorslaan richting een arbeidsovereenkomst met alle arbeidsrechtelijke gevolgen van dien.

U leest de uitspraak hier.

Auteur: Esmeralda de Jongh

Deze website gebruikt functionele en analytische cookies.  Lees verder